VRAGENBUS
Correspondentie voor deze rubriek aan : T. MOLENAAR. Leede 18. Rotterdam Zuid
A. H. te R. vraagt of Elisa en cle Heere Jezus ook helderziend waren.
Antwoord: Toen Benhadad, cle koning van Syrië, Samaria belegerde en cle toestand in cle stad allertreurigst werd, wilde Joram, cle koning van Israël, Elisa ter dood brengen, vergramd als hij was, omdat Elisa hem niet van cle Svriërs verloste. „Elisa nu zat in zijn huis en de oudsten zaten bij hem en hij zond een man voor zijn aangezicht; maar eer de bode tot hem gekomen was, had hij gezegd tot cle oudsten: „Hebt gijlieden gezien, hoe de zoon des moordenaars
gezonden heeft, om mijn hoofd weg te nemen; ziet toe, als die bode komt, sluit de deur toe en dringt hem uit met de deur."
Elisa weet hier wat de koning Joram doet. Hoe wist hij dat? Dezelfde vraag zouden we kunnen doen bij het volgende: Elisa wist precies wat Gehazi doet als hij Naaman, de Syriër achterna gaat. Hij geeft aan de koning van Israël te kennen de plannen van de koning van Svrië.
Dr. Haverkate meent, dat de Heere op bepaalde ogenblikken aan Elisa schonk de bijzondere gaven der helderziendheid. Ik ben het daar niet mee eens. Ik geloof, dat Elisa dit wist door bijzondere openbaring Gods. Een profeet (en dat was tot Elisa) is, blijkens Ex. 7 : 1 vergeleken met 4 : 16, en Jer. 1 : 5, iemand, die optreedt als spreker van het Woord Gods. Hij ontvangt Goddelijke openbaringen, die hij aan anderen te verkondigen heeft. Andere namen, die in het Oude Testament worden gebruikt, zijn: iener, man Gods, knechts des Heeren en wachter. Door al deze namen wordt hetzelfde uitgedrukt: e aldus aangeduide persoonlijkheid ziet, wat anderen niet zien, maar hem door God wordt te aanschouwen gegeven, en als men, knecht of bode van God heeft hij dat aan anderen mede te delen. Zo is dus de profeet openbaringsontvangjer en openbaringsinstrument.
Wat nu de helderziendheid van de Heere Jezus aangaat, merk ik op, dat dit schier profaan klinkt. Dit is natuurlijk de bedoeling van de vrager niet, want ook dr. Haverkate stelt de mogelijkheid. Wanneer Nathanaël tot de Heere Jezus zegt: „Van waar kent gij mij? " antwoordt de Heere: „Eer u Filippus riep, daar gij onder de vijgeboom waart, zag Ik u." Dus ook hier de bijzondere gave van het zien.
Dr. Haverkate waagt nu de veronderstelling, dat deze helderziendheid een bijzondere eigensohap was van Jezus' onzondige menselijke natuur, en dat deze eigenschap der helderziendheid zich in de loop der tijden in zeldzame gevallen ook bij de gewone mensen heeft geopenbaard.
Ook daarmee kan ik mij niet verenigen.
Dat de Heere Jezus Nathanaël onder de vijgeboom zag was geen vrucht van Christus' onzondige menselijke natuur, inaar van Zijn Godheid. Het is Gods kroonrecht alle mensen en alle dingen ^onfeilbaar te kennen, en hieraan heeft Christus zich bij menige bewezen God te zijn. gelegenheid
P. R. te Z. vraagt mij of ik eens iets wil schrijven over het avondmaal, dat in de plaats is gekomen van het Pascha.
Aritwoord: De sacramenten vormen met het Woord Gods de genademiddelen. Het Woord werkt op het gehoor, het sacrament op het gezicht. Daardoor wordt de ziel bearbeid.
Het Woord Gods heeft daarbij een dubbele werking. Het dient zowel tot weel erbaring en inplanting van het zaligmakend geloof in de ziel, als tot versterking van het geloof.
De sacramenten dienen alleen tot versterking van het geloof. Zij zijn tekenen en zegelen. Het teken bestaat Teeds, maar deze tekenen worden eerst sacramenten, doordat de Heere Zelf ze tot tekenen verklaart en tot zegelen Zijner genade instelt.
Tijdens de instelling van het avondmaal knoopte Christus aan bij de viering van het Pascha het gedachtenisfeest van de voorbij-gang van de verderfengel, overal in het land Gosen, waar het voorafschaduwend bloed der verzoening gestreken was aan de deurposten. Hierbij treedt nu evenwel een onderscheid tussen het Oud-Testamentisch pascha en het Nieuw-Testamentisch avondmaal duidelijk aan het licht. Immers het pascha werd verordend voor gans Israël als vleselijk besneden volk Gods, maar het heilig avondmaal heeft Christus ingesteld voor het geestelijk besneden Israël. Bij het avondmaal is er de noodzaak der zelfbeproeving, op straffe zich anders een oordeel te eten en te drinken. Ook al komt het voor, gelijk daarop ook art. 35 onzer geloofsbelijdenis wijst, dat er hypocrieten aan de tafel des Heeren Christus' ingestelde tekenen tot zich nemen.
Dit in het kort ter onderscheiding van pascha en avondmaal. Ook uiterlijk genomen is er verschil. De wijze van avondmaalsviering is ons te bekend, dan dat we er bij behoeven stil te staan.
De gang van het paasfeest is minder bekend en verdient, in verband met de instelling van het avondmaal, dat immers bij het pascha aanknoopt, enige nadere aanduiding.
Dat pascha, die gedachten is-viering van het voorbij-gaan van dood en verderf, bestond nu in het eten van ongezuurd brood, gedoopt in bittere saus, en daarbij — als hoofdschotel — het geslachte Paaslam, onder het opheffen van de „beker der verlossingen" en het zingen van de psalmen 113-118, tezamen vormend het „grote hallel": ook daar gedenkend de daden des Heeren, waar het volk vergaderd is.
Het avondmaal is een genade-handeling Gods om Christus' wil, waarbij Hij de leden van Christus' lichaam aan de dis des Verbonds bij de tekenen van brood en wijn steeds nauwer samensnoert aan Zichzelf, God Drieënig en aan elkander onderling.
Alle rang en stand, taal, ras of nationaliteit vervalt aan deze tafel. Zij hebben allen één vader: Adam, één verleden: de dood en het verderf; één zalig heden: de tweede Adam, bij de tekenen van Zijn levensgemeenschap; één gemeenschajppelijk doel: God verheerlijken; één heerlijke toekomst: de bruiloftdes-Lams.
Christus' verbroken lichaam en vergoten bloed, predikt de avondmaalstafel. Tenminste, als aan de bediening vooraf is gegaan de zuivere prediking van Christus' lijden en sterven. Want het Woord verklaart het sacrament, niet omgekeerd. Het zichtbare Woord komt bij het hoorbare Woord.
De instelling van het heilig avondmaal heeft de Heere Jezus nadrukkelijk in verband gebracht met pascha. Hij heeft het ingesteld. Aan de paasdis ontleent Hij het brood en de wijn, die als tekenen en zegelen bij het avondmaal moeten dienen. De Heere heeft bij Zijn vertoning aan Israël direct de doop van Johannes overgenomen, maar met de instelling van het heilig avondmaal wacht de Ileere tot het laatste paasmaal en doet dan de bondsmaaltijd van het Oud verbond overgaan in die van het Nieuw verbond. Johannes en Paulus zeggen nadrukkelijk, dat ons pascha geslacht is en dat daarom de gelovigen de oude zuurdesem der zonde moeten uitzuiveren en als nieuwe schepselen, onvermengd met de ongerechtigheid, behoren te wandelen. Daarbij komt nog, dat het lam, dat ter slachting geleid wordt (Jes. 53 : 7) een toespeling in zich houdt op het paaslam en daarom op Christus wordt toegepast. Zo wees het paaslam naar Christus of wilt ge het anders, zo wees het pascha vooruit naar het Heilig avondmaal en werd naar het bevel van Christus daardoor vervangen. Op grond nu van deze eenmaal volbrachte offerande, nodigt de Heere Jezus Zijn discipelen aan Zijn heilige dis, in gemeenschap met Hem en met elkander, om aldus te worden gesterkt.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 14 december 1956
Daniel | 8 Pagina's