Staat de mens wel schuldig ?
De werken Gods (17.)
We besloten ons vorig artikel met de vraag, of cle mens wel schuldig staat, wanneer cle medewerkende daad van Gods Voorzienigheid hem van ogenblik tot ogenblik doet leven en doet handelen.
Op die vraag antwoorden wij zeer beslist toestemmend. De verantwoordelijkheid van de mens vermindert er in geen enkel opzicht door, en wel om tweeërlei reden.
In de eerste plaats heeft God de mens goed en naar Zijn evenbeeld geschapen, zodat hij vanaf het ogenblik van zijn komst in de wereld niets anders verlangde te doen, dan wat God wilde; en al zijn denken en daden in volle overeenstemming waren met wat cle Heere van hem eiste. Elke kracht en medewerking Gods in hem kwam ten volle overeen met zijn eigen begeerten, want er was tussen Schepper en schepsel volkomen harmonie. God schiep de mens zó, clat, als er niets kwaads tussenbeide trad, het vanzelfsprekend zou zijn, clat de mens cle verleende krachten en gaven in de dienst des Heeren zou besteden.
Maar tegelijk schiep God hem een vrije wil in; zodat hij nooit of te nimmer uit dwang of uit noodzaak, maar altoos uit vrije liefde en uit eigen aandrift de wil des Heeren zou kunnen doen.
Wij verduisterde mensen, kunnen zulk een heerlijk en fijn scheppingswerk onmogelijk vatten. Het is ons, met ons zondig, kortzichtig verstand onbegrijpelijk hoe cle mens een vrije wil kon hebben, en toch gebonden was aan cle wil Gods. Eerst in de eeuwigheid zal clat mysterie verklaard worden en er het nodige licht over opgaan. Maar niettemin staat cle waarheid ervan zo vast als een rots.
In de tweede plaats komt daarbij, dat de mens, misbruik makende van cle hem geschonken gave, zich tegen Zijn Schepper heeft verzet, en nu van nature niet anders meer doen kan, noch wil, dan hetgeen indruist tegen de heilige wil van God.
Geeft de Heere nu cle mens cle krachten tot zijn werk, dan gebruikt de mens die krachten wel, maar de overweging en de bedoeling, die er bij cle mens achter schuilt, is zondig. Het is hem niet meer te doen om Gods glorie, maar om eigen welzijn; en dat eigen welzijn zoekt hij clan nog in de verkeerde richting.
Hoewel er niet één beeld is, clat tenvolle van toepassing is op de betekenis van cle medewerking Gods en op cle verantwoordelijkheid van cle mens, willen wij toch trachten er iets van duidelijk te maken.
Wanneer de ketel van een locomotief
tot op stoomhitte verwarmd is, ontstaat de stoomkracht, die de trein kan voortbewegen. De trein behoort in voorwaartse richting te gaan, zal hij het beoogde doel, het naaste spoorwegstation kunnen bereiken. De locomotief heeft met haar tientallen leidingen en pijpen, raderen en instrumenten het vermogen om, met gebruik van de stoomkracht, het juiste station tegemoet te rijden.
Maar denk u nu in, dat er een dronken machinist op de machine staat, die de handel naar de verkeerde richting overhaalt; wat gebeurt er dan? Wel, dan gaat de trein evengoed in beweging; dan laat de stoomkracht de trein even snel rijden, maar de trein gaat in ach-terwaartse richtingen; en in plaats dat de locomotief de trein naar het juiste station brengt, doet ze hem er al verdelen verder vandaan snellen.
Is dat nu de schuld van de locomotief, . of van de ketel, of van de stoom, of van de fabrikant van de machine? Immers neen! De schuld ligt alleen bij de machinist, die de hem verleende werktuigen en krachten niet aanwendt in de juiste richting. En wanneer er door zulk een misbruik maken van de stoomkracht een spoorwegongeluk zou ontstaan, dan is het vast en zeker, clat niet de fabrikant van cle locomotief, maar cle machinist ter verantwoording zou worden geroepen en streng gestraft.
Ziet, vrienden, clit voorbeeld kan enigermate verduidelijken, hoe cle medewerking Gods nodig is voor de mens om hem tot zelfwerkzaamheid in staat te stellen, maar hoe tegelijk daarbij de verantwoordelijkheid van de mens ten volle blijft gehandhaafd.
En clat clit werkelijk zo is, leert ook cle consciëntie. Als een kind van God zondigt, clan klopt zijn geweten, en kan hij de schuld niet op God werpen, clie hem cle krachten en vermogens gaf, waarmede hij zondigde, ja, zelfs een onbekeerde, die bijv. een doodslag pleegt of een diefstal begaat, schuw en bang en ongerust zijn, omdat zijn geweten God rechtvaardigt en hemzelf beschuldigt.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 30 november 1956
Daniel | 8 Pagina's