JBGG cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van JBGG te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van JBGG.

Bekijk het origineel

OFFERS

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

OFFERS

5 minuten leestijd

Inleiding.

In zichzelf is elk offer volkomen waardeloos. De Israëliet zou met hele kudde offerdieren kunnen komen, maar wanneer hij zonder het „berouwvolle hart" kwam, en zonder beroep op Gods vergevende liefde voor hem persoonlijk, zou hij dat offeren gevoeglijk kunnen laten. Erger was, hij zou God er mee irriteren. „Waartoe zal Mij zijn de veelheid uwer slachtoffers? zegt de Heere; Ik ben zat van de brandoffers der rammen en het smeer der vette beesten, en heb geen lust aan het bloed der varren, noch der lammeren, noch der bokken." Ook voor de Oud-Testamentische gelovige gold: Laat ons dan door Hem altijd Gode opofferen een offerande des lofs, dat is, de vrucht der lippen, die Zijn Naam belijden. En vergeet de weldadigheid en de mededeelzaamheid niet; want aan zodanige offeranden heeft God een welbehagen." (Hebr. 13 : 15 en 16). Het gaat er niet om, waarmee men komt, hoe vaak men komt, waarvoor men komt, maar het gaat er om, hoe men komt. Israël kon niet Gods toorn afwenden met een offer, zoals de Egyptenaren dat b.v. meenden. Het offer is geen betaalmiddel om wat dan ook. Dat kan ook niet, want een „betaalmiddel" veronderstelt zekere eigendomsrechten. Wanneer wij schulden hebben, moeten we die betalen met ons „eigen" geld. Wat zou de mens aan God kunnen geven van „zijn eigen"? Niets. Wanneer dan ook de Israëliet met een offer kwam, was dat niet om iets te brengen, niet hij kwam in het offer tot God, maar God kwam daarin tot hem. God geeft aan de Israëliet in zijn offer een les: ijk mens, Mijn recht is om te doen met u wat nu met uw dier gebeurt, Mijn liefde is, dat Ik in uw plaats iemand anders stel. Zo min het dier bestand is tegen het vuur van het altaar, zo min is de mens bestand tegen het verterend vuur van Gods recht. In het offer worden derhalve twee dingen gedemonstreerd:

a. de nood van de offeraar

b. de redding uit die nood door God.

Indeling.

Feitelijk zijn er twee groepen offers:

a. bloedige

b. onbloedige.

Men kan ook spreken van:

a. algemeen offer (voor 't hele volk)

b. bijzonder offer (voor een persoon of stam).

De wet spreekt ook van:

a. bevolen offers

b. vrijwillige offers.

Men maakt ook de onderscheiding van:

a. allerheiligste offers (brandoffers, zondoffers, schuldoffers en dankoffers. Daarvan mocht alleen door de priesters gegeten worden).

b. minder heilige offers (daarvan mocht ook 't volk eten, zoals 't, paaslam).

Er zijn ook offers met een zekere tijdsbepaling:

a. 't dagelijks offer ('t gedurig offer, bestaande in brandoffer, met zijn spijsoffer en zijn drankoffer 's morgens en 's avonds).

b. 't wekelijkse offer (Sabbatsoffer, 't dubbele getal van een gewone weekdag).

weekdag). c. 't maandelijkse offer (dat op 't feest der Nieuwe Maan gebracht werd).

cl. 't jaarlijkse offer (Paasfeest, Pinksterfeest, Loofhuttenfeest en Grote Verzoendag).

Dieren.

Er zijn twee kenmerken van de offerdieren te geven:

a. rein

b. volkomen.

a. Rein. Deze kunnen zijn:1. viervoetige dieren. 2. vogels.

De reine viervoetige dieren zijn clie dieren, die de klauw in tweeën verdelen en herkauwen met cle beperkende bepaling, clat ze tam moesten zijn: runderen, rammen en schapen, bokken en geiten, dus geen herten, reeën e.d.

De vogels de zaadetende b.v. tortelduiven en jonge duiven, maar geen hrfnen, kippen, ganzen enz.

b. Volkomen: d.w.z. zonder enig lichamelijk gebrek.

Een Israëliet kon er zich dus niet met „een Jantje van Leiden" van afmaken, zo in cle zin van: „clat beest is kreupel,

blind, dat loopt niet lang meer mee, bovendien wordt 't „toch maar verbrand." Dat kan God onmogelijk aangenaam zijn. „Ja, vervloekt zij de bedrieger, die een mannetje in zijn kudde heeft en den Heere belooft en offert, dat verdorven is!" (Mal. 1 : 14a). Neen, wanneer men een offer gaat brengen, zal men inderdaad zijn kudde nakijken, om er het beste uit te zoeken en dat beste is eigenlijk nog niet goed genoeg, omdat elk offer moest heenwijzen naar het Offer: ezus Christus. Elk offer had alleen maar zin en waarde in verband met het Offer: et bloed van Jezus Christus, dat reinigt van alle zonden.

Gods gerechtigheid eiste bloed en hier hebben al heel wat mensen de tanden op stukgebeten. Hatelijk sprak men over de „Bijbelse Bloedtheologie."

En toch treffen we hier het hart van het Evangelie. Er was eenmaal door God gesproken: „Ten dage als gij daarvan eet, zult gij de dood sterven." Het was Zijn recht zo te spreken, niet minder Zijn recht om voldoening van de schuld te eisen, maar ook Zijn recht om het te doen zoals Hij het gedaan heeft, n.1. door een plaatsvervanger. In Israël was dit het offerdier. Dit was slechts de proloog van het offer op de heuveltop Golgotha. Er is kwijtschelding van schuld door het bloed van Christus.

Zo Gij in 't recht wilt treden, O Heer en gadeslaan Onz' ongerechtigheden, Ach, wie zal dan bestaan? Maar neen, daar is vergeving Altijd bij U geweest; Dies wordt Gij, Heer, met beving, Recht kinderlijk gevreesd.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 16 november 1956

Daniel | 8 Pagina's

OFFERS

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 16 november 1956

Daniel | 8 Pagina's