VRAGENBUS
I Correspondentie voor deze rubriek aan: I T. MOLENAAR. Leede 18. Rotterdam-Zuid V
J. Vereniging te G. vraagt het volgende: „Als David zich nu bij Achis vreemd aanstelt, doet alsof hij gek is, bant Achis (die aan razenden geen gebrek heeft) hem het land uit. In Ps. 84 wordt dit beschreven als een Goddelijke uitredding.
Stelde David zich bij Goddelijke ingeving zo aan — en vandaar de uitredding — of was dit verkeerd van David en heeft God hem nochtans uitgered? "
Antwoord: Als inleiding tot het antwoord laat ik even Calvijn aan het woord. Deze schrijft „Uit de vlucht van David tot Achis blijkt wel, welk een zware vervolging David ondergaan heeft, waar hij nergens anders bescherming weet, dan bij de doodvijanden van Gods kerk. Want toen ten tijde waren de Israëlieten in aanhoudende oorlog met de Filistijnen gewikkeld, - zoals wij weten, en David had reeds gedurende enige tijd aan het hoofd van legerbenden gestaan en goed succes tegen de Filistijnen gehad. Want Saul had hem dikwijls aan gevaar blootgesteld, en bij wijze van spreken, ter slachtbank gezonden. Maar God had hem een gelukkige en gemakkelijke overwinning over zijn vijanden, tot grote smart en verontwaardiging van Saul, gegeven. Zodat het niet twijfelachtig is, of hij had de gruwelijkste en dodelijkste haat der Filistijnen tegen zich gaande gemaakt, en voornamelijk door die uitstekende en roemwaardige daad, toen hij Goliath had verslagen. Waarom het wel een teken is, dat hij in de grootste ongelegenheid verkeerde en als het ware twijfelde aan zijn behoud en meende, dat zijn leven aan een zijden draad hing, waar er voor David geen andere plaats des behouds over scheen, dan zich te geven in de handen der vijanden, terwijl hij toch niet anders te wachten had, dan de vreselijke wreedheid en woestheid der Filistijnen tegen zich gewaar te worden. Hieruit blijkt wel, dat door de Heere het geloof en het geduld van David tot op de hoogste is beproefd."
Uit de verklaring van Calvijn blijkt wel in welke grote nood David verkeerde. Dit blijkt ons trouwens ook uit Gods Woord. Ps. 34 speekt ervan. Daar heet het: „Hij heeft mij geantwoord en uit alle mijn vrezen gered. „En verder: „Deze ellendige riep, en de Heere hoorde en Hij verloste hem uit alle zijn benauwdheden."
Hoewel de handelingen van David zeker niet goed te keuren waren en hij in zijn doen niet navolgenswaardig was, heeft de Heere getoond, dat des Heeren trouw door de trouweloosheid van David niet wordt teniet gedaan.
David stelde zich bij Goddelijke ingeving zo niet aan. Ware dat zo, dan zou God de schuld zijn van de verkeerde handelingen van David. Verre zij God van goddeloosheid. Hoewel de zonden van Gods volk niet gaan buiten Gods Raad en voorzienigheid, blijft het volk verantwoordelijk voor zijn daden. Dus ook David.
Ik zie de zaak zo: avid zat erg in de war. Hij zocht een middel om uit de strikken te komen. Hij hield zich gek. Dat was van David verkeerd en zondig. Te midden van zijn ellende schreeuwde zijn ziel om uitredding tot God. Dat David zijn redding uit het gevaar niet aan zijn list maar aan de hulp Gods toeschreef, ja hoe hij zijn list als een onrein middel leerde kennen, bewijst de 34ste psalm, met welke hij de in psalm 56 : 13 aan God beloofde dank betaalt, zeggende: O God, op mij zijn Uw geloften; ik zal U dankzeggingen vergelden."
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 16 november 1956
Daniel | 8 Pagina's