Zoeken naar een naamloze God
Bij de naoorlogse poëzie gaat het niet zozeer meer om het schone en zuivere, maar hoofdzakelijk om de werkelijkheid; de dichters en dichteressen willen niet gemaakt mooi schrijven, doch beelden de (zo vaak wrede: naoorlogse!) werkelijkheid uit. Daarbij is niet alleen de ziel betrokken, maar het hele wezen, de gehele mens. Bij oppervlakkigheid is er toch veel diepe ernst. Er wordt veel vertwijfeling uitgesproken. Hoe zou het ook anders kunnen, gezien de tijd waarin we leven. Maar uit die vertwijfeling poogt men zich op te richten, dus niet verzinken in het niet en de handen maar slap te laten hangen, omdat het nu eenmaal zo is. Jammer is, dat het vaste steunpunt in alle nood zo weinig wordt gevonden en er veelal een atheïstische inslag is waar te nemen. Over dood en verderf wordt veel geschreven.
Hella Haasse, waarover de vorige keer iets is gezegd, begint haar bundeltje „Stroomversnelling" met:
Ik hief mijn hand op tussen mij en 't licht en zag het dieprood schijnen van mijn bloed om donkre kern van beend'ren en gewricht, en wist verwonderd, dat ik sterven moet, —
Dit is in de eerste plaats geen overweging van de geest: de dichteres komt er toe door het bekijken van een lichaamsdeel. Het lichamelijke komt geregeld op de voorgrond bij de nieuwe schrijvers. En dan gaat het verder:
Dat deze hand verstijft eens en vergaat en dat het onafwendbare bederf mij nooit verlaat, maar met mij gaat en staat en mij verteert wanneer ik eenmaal sterf.
Geheel anders was het bij de Beweging van Tachtig. Kloos zong:
Ik zal mooi doodgaan als een vlammend vuur, dat eens nog flikkerde in zijn laatste gloed.
Of op een andere plaats:
Men moet niet van het lieve Dood-zijn ijzen: De dode bloemen komen niet weerom, Maar ik zal heerlijk in mijn Vers verrijzen.
Tot deze vreselijke uitdrukking komt Hella Haasse niet. En toch is het bij het sterven niet afgelopen. Zij zegt niet precies wat er zal gebeuren, maar er blijft toch iets bestaan. Hoe zou het ook anders kunnen. De mens is er wel van overtuigd, diep in zijn ziel, dat hij niet sterft als een beest. De dichteres zegt het zo:
En toch — dit hart, clat binnen in mij brandt doet nimmer afstand van zijn zoeten waan clat er iets blijft van mij — al zal mijn hand diep in het stof tot kleurloos stof vergaan.
De verwachting is toch wel een weinig hoopvol, want het is een „zoete" waan. Hoe moet de moderne mens aanvangen met het bestaan van God? Hoe flauw en flakkerend is het licht, clat uitgaat van de kerk! En hoevelen heb-
ben de kerk de rug toegekeerd! Hoe zou de grote menigte in het goede spoor geleid kunnen worden? Geen wonder, dat velen wel een God belijden, maar dat ze niet goed weten wie Hij is en wat ze er mee moeten beginnen, 't Is alles zo onbegrijpelijk, zo moeilijk te rijmen, ziende het verschrikkelijke dat in de wereld omgaat. Hella Haasse schrijft hierover:
Naamloze God die ik belijd, nu Gij uw teken in mij snijdt duld ik de pijn van wat er sterft onder Uw mes, dat kerft en kerft.
Sinds de dichteres geboren is, begon het zwerven en dat zal duren (wellicht) tot de dood:
Toen 'k bloedig in dit leven brak verloor ik steun en onderdak; nu zwerf ik tussen moederschoot en tweede moog'lijk rustpunt: dood.
Let op het veelbetekende woordje „moog'lijk". Het is echt een zwerven: niet goed wetende waar het zal uitkomen. Dat omzwerven, dat zoeken naar de naamloze God, is het enigste ritueel (godsdienstige verrichting) dat God van haar eist:
Ik zwerf om U; elk ritueel anders clan dit acht Gij te veel.
Ik pleng U bitterzoete wijn van twijfel en van eenzaam zijn, en vraag van U als enig loon de scherpe prikkel van Uw hoon, Uw harde stenigende spot. Gij zijt weldadig wreed, mijn God.
Onwillekeurig moeten we hier denken aan de woorden uit het boek Job: „Gelijk een felle leeuw jaagt Gij mij; Gij keert weder en stelt U wonderlijk tegen mij. Gij vernieuwt Uw getuigen tegenover mij, en vermenigvuldigt Uw toorn tegen mij; verwisselingen, ja, een heirleger, zijn tegen mij." (Job 10).
Er blijft bij de dichteres toch een zoeken:
Mij drijft dit branden in mijn bloed, dat ik U altijd zoeken moet. Ik richt tot U slechts één gebod: dat Gij uw mes nog scherper wet dat Gij mij beitelt met dat mes tot wijs en weerbaar priesteres.
Het zoeken van de naamloze God is pijnlijk, maar die pijn wil ze niet missen; het is bitterzoet; laat die pijn nog sterker en wreder zijn, als de uitkomst dan maar is: priesteres.
Job sprak tenslotte de veelbetekenende woorden: „Ik weet dat mijn Verlosser leeft!" Van de dichteres heb ik dat niet gelezen.
INDEX
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 16 november 1956
Daniel | 8 Pagina's