De „middelijke" onderhouding
De werken CJOCIS (13.)
Voor de instandhouding van stoffelijke wezens gebruikt God de Heere dc door Hem zelf daarvoor bestelde middelen. Zo hebben mensen en dieren voor levensonderhoud nodig, dat ze geregeld met spijs en drank gevoed en gelaafd worden.
De Heere had die middelen niet van node; Hij zou evengoed onmiddellijk de mens en het dier in het leven kunnen doen blijven; maar Zijn wil is anders geweest. Door allerlei zaken wil God de mens leren, dat Hij alleen de Gever van alle goede gaven en volmaakte giften is, en daarom heeft Hij spijs en drank verordend, opdat de mens oog zou hebben voor de wondere wegen en middelen Gods, en er zijn Schepper te meer om zou prijzen.
Voorzeker mogen we ook beleven, dat in de Staat der rechtheid voor Adam en Eva het gebruik der middelen iets heerlijks was, waar ze dadelijk de zorgende hand Gods in opmerkten. Maar ook hier heeft de zonde verderf en leugen gebracht, zodat de mens nu precies andersom handelt dan vóór de zondeval. Was in die schone tijd elke middellijke onderhouding een reden te meer om God te verheerlijken voor de beschikking dier middelen, — na de zondeval maakt de mens van die middelen zijn God; ziet de tweede oorzaken voor eerste aan, en schakelt alzo het Goddelijk, voorzienig bestel der middelen ten enenmale uit. Vroeger waren de middelen een brug, die naar God heenvoerde; thans zijn ze een muur, die het gezicht op God als dc Gever belemmert. En dat ligt vanzelf niet aan de middelen, want die zijn wel dezelfde gebleven, maar enkel en alleen aan de verblindheid en dc vijandschap van het menselijk hart, dat wel alle weldaden en zegeningen Gods ontvangen wil, als het maar niet genoodzaakt wordt om er Gods eigen hand in te zien en op te merken.
Vooral nu leven we in een tijd van ongepaste verheerlijking der middelen. De mensen prijzen en roemen de middelen om het hardst, opdat ze toch maar niet achter de middelen zullen behoeven te zien, naar Hem, die ze bestelde. Maar daarmede kunnen ze toch Gods hand niet wegwerken. En ook dat is wel gebleken — om maar eens een voorbeeld te noemen — in de bange crisisjaren, clie aan de tweede wereldoorlog voorafgingen. De middelen tot levensonderhoud waren er toen meer dan voldoende. Er was brood en vlees en melk en eieren. Er waren aardappels en groenten en fruit; veel te veel om in ons eigen landje te worden verbruikt. En zó goedkoop, als het in vele tientallen jaren niet geweest was. Maar wat zag men toen gebeuren? Dit-, dat naast al die overvloed er bittere ellende en armoede was; de mensen van toen stonden als het ware tussen twee hoge bergen in. Aan de ene kant de berg van overvloed; een rijkdom van voortbrengselen, die God bestemd had tot levensonderhoud. En aan de andere kant een berg van ontbering en armoede, zodat men met het gezicht op de overvloed toch nog van honger en gebrek dreigde om te komen. Aan de ene zijde de vraag: Hoe moeten we toch door al die voorraad levensmiddelen heenkomen? En aan de andere zijde de vraag: Hoe moet ik met mijn gezin toch aan eten en drinken zien te komen?
Dat, mijne vrienden, was nu de wrange vrucht van de verheerlijking der middelen. De mensen gingen in de laatste tijd denken, dat een aardappel en een stuk brood en vlees genoeg waren tot instandhouding van het menselijk leven. E11 God de Gever had men niet meer nodig. Maar nu liet God in Zijn gekrenkte Majesteit eens zien, dat het niet gaat om die aardappel, of om dat brood, of om dat stuk vlees, maar om Hem zelf als de Levensonderhouder. Het was als het ware, alsof de Heere in Zijn gramschap zeide: „Als gij dat meent, o, ijdele mens, dat ge bij brood alleen leven kunt, welnu, hier hebt ge dan brood, brood in overvloed, en zie nu maar, dat ge het daarmede redt!"
En wat bleek 1111? Kon de mens met al zijn voorraden van levensmiddelen toen iets uitrichten? Immers neen! Als hij de Onderhouder-zelf mist, dan baten hem de onderhoudingsm/cWe/en ook niets. Daar stond hij dan toen, met al zijn wijsheid, die dwaasheid bij God was. Daar stond hij dan toen, met al zijn voorraden kostelijke levensmiddelen, waar hij geen weg mee wist; waar geen uitvoer, geen koopkracht en geen kooplust, en vooral geen behoorlijke prijs voor te vinden was. Zó gaat het, als God de Heere blaast in de waanwijsheid van de mens. En er zal eerst dan een blijvende verbetering intreden, wanneer Hij weer erkend wordt als de God van hemel en aarde, door wiens voorzienig bestel alle dingen onderhouden worden. Wie de Voorzienigheid Gods in het aangezicht slaat, heeft smart op smart te vrezen, maar wie op Hem betrouwt, op Hem alleen, ziet zich omringd met Zijn weldadighecn.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 7 september 1956
Daniel | 8 Pagina's