De Neandertaler mens
RONDKIJK
De Neandertaler mens De geleerde wereld is thans weer in een heftige discussie gewikkeld, over het vinden van een mensenschedel in Duitsland, die van een bepaald mensenras zou zijn, dat zo'n 120.000 jaar geleden in die streken heeft gewoond en geleefd.
Men noemt dat de „Neandertaler mens", omdat een honderd jaar geleden in het Neanderthal, het dal met een grot bij Mettman (Diisseldorf), de fossiele resten van z.g. voorhistorische mensen werden gevonden, wier schedelbouw zeer bleek af te wijken van die onzer huidige mensen. Plet liep toen over een mannelijke soortgenoot, waarover de geleerden een heftige strijd voerden, en tenslotte vaststelden, dat deze schedel 120.000 jaren oud moest zijn.
Na overstroming van de Rhünda, is in datzelfde dal door de Marburgse professor Eduard Jacobshagen een vrouwenschedel in de modder gevonden, die óók van die tijd en van die bijzondere mensensoort moet afstammen.
Het zal de opmerkzame lezer direkt opvallen, dat deze mannen der wetenschap geen rekening houden met het Woord des Heeren en met het scheppingsverhaal ons in Genesis beschreven. In de bijbel wordt ons een andere jaarrekening gegeven; die preciesieuzer klopt, dan de schattingen der geleerden. Die kijken op geen duizend, soms niet op een miljoen jaren! Als wij tot de tijdrekening die de H. Schrift ons leert, teruggaan, komen we niet verder dan plm. 6000 jaren; van de schepping tot Christus 4000 jaren en van het begin onzer jaartelling tot heden bijna 2000 jaren. Bij het vinden van de Neandertalermens" stelt men dit „mensenras" zonder blikken of blozen op 120.000 jaren! Wanneer we dat zouden aannemen, stellen we daarmee tegelijk, dat er vóór Adam en Eva ook mensen geleefd hebben. Dan verwerpen we daarmee, wat de Heilige Schrift ons leert.
Er staat ons in Genesis beschreven, dat de aarde — als God de stof eerst geschapen had - woest en ledig was; d.w.z. ongeordend en ledig van levende schepselen. Ook was er geen licht; duisternis was op de afgrond. Licht brengt en geeft leven, zonder licht kunnen schepselen niet leven! Er hebben dus vóór die 6000 jaren geen mensen geleefd! Dat mag dan een belachelijke stelling zijn in het oog van de wetenschap, maar het is naar het eenvoudige, eeuwig blijvende Woord van God. Binnen het raam van de hierboven genoemde 6000 jaren —-aldus schrijft zeer terecht ook ds. G. Menken in zijn mooie boek „De duur van de Schepping" — moeten alle feiten een plaats ontvangen. Ook dus de schedels van de gevonden z.g. Neandertaler mens.
Men is in onze tijd er op bezig, om het kinderlijk geloof in de goddelijke waarheden, die in de H. Schrift zijn vervat te ondermijnen of sterker nog, uit te roeien. Dat doet men ook en vooral op de hogere scholen, niet van neutrale zijde alleen, maar ook wel bij het christelijk onderwijs. We willen onze jongens er met klem voor waarschuwen: blijf toch bij het eenvoudige woord van God, bij de onfeilbare gegevens die de Heilige Schrift ons leert.
De Neandertaler schedels mogen zeer afwijkend zijn van die van de huidige mens — dat zegt op zichzelf niets. De H. Schrift spreekt ook van zulke afwijkingen, van buitengewoon grote mensen, zelfs wel van hen die zes tenen hadden! Neemt Og, de koning van Basan, de kinderen Enaks, mannen van grote lengte, ons in Numeri beschreven. Veronderstel dat de geleerden daarvan skeletten vonden, aangenomen dan, dat deze niet reeds tot stof zouden zijn vergaan. Dan kwam er misschien nog wel een half miljoen of meer jaren. bij!
De resultaten van wetenschappelijk onderzoek blijven altijd betrekkelijk, maar het Woord des Heeren is vast en zeker en blijft tot in der eeuwigheid. (1 Petri 1 : 25) Men buige enkniele liever in ootmoedigheid voor God en Zijn Woord, dan dat men zich door de uitkomsten van wetenschappelijk onderzoek met twijfel laat bezaaien.
In dit verband wil uw waarnemer ook iets zeggen over het juist verschenen nieuwe boek van de Duitser Werner Keiler, getiteld: „De Bijbel heeft toch gelijk." Dit boek bevat een overzichtelijke en begrijpelijke samenvatting der resultaten van het wetenschappelijk onderzoek op het gebied der bijbelse archeologie, Het is een boek van 440 bladzijden, met vele foto's en tekeningen verlucht, dat ik met grote aandacht heb gelezen en bestudeerd. Daarbij staat men telkens weer verbaasd, hoe roet spaden en houwelen uit het puin der eeuwen, zoveel overweldigende bewijzen voor de historische juistheid der geschiedenissen en gebeurtenissen uit de bijbel zijn blootgelegd. Het is een bijna onoverzienbare overvloed van wetenschappelijk vaststaande feiten, die in dit werk voorkomen, welke systematisch aan bijbel citaten worden getoetst. Voor onze jongelingsveremgingen kan ik dit prachtige werk wel aanbevelen, al is het met enig voorbehoud. Ik heb er dingen in gevonden, die m.i. zeer veel tekort doen aan de bijbelse waarheden. Keiler citeert — hij zegt zelf uit de bibliotheken van vele landen te hebben vergaard, wat er aan wetenschappelijk gefundeerde uitkomsten van het onderzoek is gepubliceerd. Hij legt er ook zijn elcen mening in en in zijn schrijven is hij niet de fijn gevoelige gelovige.
Een paar punten zal ik noemen: op blz. 124—125 'wordt een beschrijving gegeven van het manna, als zou dat er tegenwoordig nog zijn. Dit doet aan het wonder tekort, daarmee wordt het wonder verklaarbaar en is het wonder geen wonder meer. Zo ook bij de beschrijving, hoe Mozes slaande op de rots bij Rafidim water te voorschijn bracht' (blz. 133) Dat zou door het slaan soms nog gebeuren! Eigenlijk zou dat dus iedereen kunnen! De brandende braambos wordt beschreven als een gasplant. En wat te denken, als de schrijver op blz. 136 zegt bij de tekst: Ik ben de Heere uw God — gij zult geen andere goden voor Mijn aangezicht: hebben —• dat dit, sinds de mensen de aarde bewoonden, iets geheel nieuws was. Ook dus voor Israël? Hij noemt het op blz. 143, „een nieuw geloof." De redenen waarom het volk Israël 40 jaar in de woestijn moest omzwerven, z.ijn ook geheel andere dan de schrijver aangeeft. Simsons daden worden „streken en heldensagen" genoemd en de geschiedenis van Deborah en Gideon vrome legenden.
Zo zou ik nog meer dingen kunnen noemen. Ik stipte slechts enkele punten aan om bij bestudering van dit overigens zeer interessante en leerzame boek tot voorzichtigheid te manen. Niet om het in zijn geheel te disqualifiseren. 'Men moet critisch lezen en studeren, dan kan men uit dit samenvattende werk veel leren en is het een mooie bron. Alleen nog iets over de titel: „De bijbel heeft toch gelijk."' Wij zijn het met de samensteller eens, dat door de opgravin - gen der archeologen, in samenwerking met geologen, biologen, botanici, ornithologen, taalkundigen en astronomen onbegrijpelijke bijbelplaatsen veel en veel duidelijker worden. Maar al had men die ontdekkingen uit de sluimer van het verleden niet gedaan, dan had de bijbel toch gelijk. De bijbel heeft, altijd gelijk, omdat het het eeuwigblijvende Woord van God is óók zonder de bewijzen van de wetenschap. Laten we dat altijd vasthouden.
Dat de bijbel het Woord van God is behoeft niet bewezen te worden. Dat is iets, dat slechts in het geloof kan worden aanvaard. Dat de bijbel naar de historie betrouwbaar is, behoeft voor hen die door het. geloof de H. Schrift aanvaarden geen bewijs. Wat niet wil zeggen, dat het grote waarde heeft, dat door de ontdekkingen en opgravingen die gedaan zijn, de sceptische wetenschap hetgeen in de bijbel staat, nu als juist zal moeten erkennen. Zo vangt de Heere de wijzen in hun arglistigheid.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 7 september 1956
Daniel | 8 Pagina's