JBGG cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van JBGG te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van JBGG.

Bekijk het origineel

Kerkgeschiedenis

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Kerkgeschiedenis

6 minuten leestijd

De Contra-Reformatie III

De restauratie der roomse kerk bewoog zich niet alleen op het terrein der leeruitspraken, maar ook op het gebied van het kloosterleven.

De bestaande orden, danig in verval geraakt, moesten nodig op de helling. Maar ook ontstonden er nieuwe orden en congregaties, die een geheel andere werkmethode volgden, n.b. „aangepast aan de behoeften van de tijd."

De voorbije tijden in het kloosterleven waren meestal tijden van wereldvlucht met zijn, zo men meende, zondevlucht, teneinde de zaligheid te verdienen en hier reeds de eeuwige vreugden des hemels te genieten in het schouwen van God. (contemplatie).

Even noteren wij hier tot goed begrip dat men in de orden aan de geloften gebonden was; in de congregaties was dat niet zo: deze waren gemeenschappen met een religieuse doelstelling.

Het is nu opmerkelijk, dat de nieuwe orden en congregaties zich veel meer gingen concentreren op het praktische leven. Dit praktisch leven werd bij deze nieuwe koers in de gezichtskring geplaatst, in de kring van bearbeiding opgenomen. De blik werd hier meer naar buiten gericht: tot glorie der Kerk!

Zij gingen zich bewegen op de gebieden van onderwijs, prediking, zielzorg, missie (= zending). Wie even nadenkt zal inzien dat dit zeer belangrijke terreinen waren om de invloed der roomse kerk te verstevigen en te vermeerderen. Hier volgen een paar voorbeelden,

le. De Capucijnen (1525.) Het waren eigenlijk Franciscanen-observanten. Zij wilden echte volgelingen van Franciscus van Assisi zijn (armoede), droegen baard en capuce en werkten met hun prediking, zielzorg en missie vooral onder de volksklasse.

2e. De Urselinen-congregatie (1535). Zij legden zich toe op het onderwijzen der vrouwelijke jeugd.

3e. Jezuïetenorde (1540). Deze orde overtrof al de nieuwe orden en congregaties. Zij leverde de „stoottroepen" aan de pauselijke stoel in de strijd tegen de Reformatie; ook in de volgende tijden. Stichter dezer orde is geweest de edelman Ignatius de Loyola. Het is nodig deze orde wat uitvoeriger te behandelen, omdat zij in haar strijd tegen het Protestantisme een zekere beruchtheid heeft gekregen en haar machtige invloeden tot op deze dag worden ondervonden.

Ignatius de Loyola werd geboren in 1491 op het slot Loyola in Spanje. Hij behoorde tot de baskische adel.

Naar de gewoonte van zijn stand begaf hij zich krijgsdienst.

In 1521 werd hij bij de verdediging van Pamplona tegen de Fransen zwaar gewond en lag maanden op het ziekbed. Hij kortte zich de tijd met het lezen van heiligenlevens. Dit was andere lectuur dan de ridderromans, waarmee zijn geest in de jeugd was gedrenkt, verhalen van avontuur, krijg enz.

Het lezen der heiligenlevens en dit versterkt door zijn sterk extatisch, tot dweepzucht geneigde natuur bracht een totale ommekeer in zijn leven te weeg. Het heiligenleven stond, volgens hem, veel en veel hoger dan het ridderideaal. Het was een geestelijk ridderschap. En hij deed de keuze: ook zo te zijn; ridder van de Kerk van Maria; voor haar eer te strijden.

Dikwijls raakte hij in extase (in een geestelijke opwinding) zag allerlei visioenen. Zelfs verscheen Maria hem, die hem tot haar ridder verkoos!

Het eerste wat hij na zijn genezing deed, was een bedevaart te doen naar een kapel te Monserrot (Catalonië). Hier wijdde hij na een driedaagse algemene biecht zijn wapenen aan Maria. Vandaar vertrok hij naar Manresix om een gelegenheid af te wachten een bedevaart naar het H. Land te doen. Hij bracht er zijn dagen door in strenge ascese (= onthouding), boetedoening en zag er allerlei visioenen. Nu ging het naar Palestina; maar de reis viel niet mee.

De Fransiscanen maakten het hem zeer lastig en dwongen hem weer terug te keren.

Maar daarom gaf hij zijn streven niet op. Integendeel.

Meer en meer was hij tot de ontdekking gekomen, dat het hem ontbrak aan de zo nodige universitaire vorming. Hij besloot daarom in 1524 (hij was toen al 33 jaar) deze nog te zoeken en ging achtereenvolgens naar de school van Barcelona, naar Alcala en Salamanca.

Ook te Parijs heeft hij een tijd lang gestudeerd, in dezelfde tijd, dat ook de jonge Calvijn er vertoefde. Een ijzeren wilskracht was tot dit alles nodig.

Men zou verwachten, dat hij in zijn geboorteland als een uitnemend geschikte kracht voor de pauselijke zaak zou ontdekt worden.

Dat was echter niet zo. De spaanse inquisitie (wij kennen haar) had juist een kwaad oog op hem! Dat was ook de reden geweest, waarom hij naar Parijs ter studie was getogen.

Tc begrijpen was dit wel. Hij liep danig in het oog; hij verzamelde om zich heen een groep van (aanv. een 6-tal) gelijkgezinden, die evenals hij reeds vroeger gedaan had, zich ook met cle „geestelijke exercities" bezig hielden; maar vooral, dat Ignatius, nog een leek zijnde, soms preekte, maakte hem bij cle inquisitie verdacht.

En toch zou hij zijn doel bereiken. In 1534 waren hij en zijn 6 vrienden in de kerk op de Montmartre bij Parijs. Onder hen was maar één geordend priester. Faber heette hij, afkomstig uit Savoye. In handen van deze priester legden zij cle drie gewone kloostgeloften af, benevens een vierde gelofte, overal te zullen gaan, waar heen de paus hen zond: hetzij ter missie of in de strijd tegen cle ongelovigen.

Aanvankelijk waren zij voornemens naar Palestina te gaan. Daarvan kwam echter niets tengevolge van cle oorlog tussen Venetië en de Turken.

Inmiddels waren Ignatius en de zijnen tot de priesterwijding gekomen en voegden meerderen zich bij hen.

Zij gaven zich de naam van „Societas jesu" (latijn) of „Compagnia cle Jesus". De laatste naam wijst er op, dat zij het gezelschap een militair karakter wilden geven geroepen tot cle geestelijke strijd voor de kerk.

Het jaar 1540 was voor hen van het grootste belang. Paus Paulus III interesseerde zich zeer voor hen en na een bezoek van Ignatius verscheen cle pauselijke bul, waarbij de Compagnie tot orde wercl verheven. Een jaar later wercl Ignatius tot generaal der orde benoemd en vestigde hij zich te Rome.

Rome zou voortaan de zetel der Jezuïeten generaals zijn. De Jezuieten sloten zich niet in kloosters op, maar werden wereldgeestelijken, die in het volle leven stonden.

In de loop der jaren kregen zij veel privilegiën (voorrechten). Zo in 1545: zij behoefden aan de bisschop der diocees, of aan de pastoor van een of andere parochie geen vergunning te vragen tot prediken of biecht horen.

Men ziet hier uit hun grote macht. Maar ook hun grote invloed, dikwijls ten kwade, zal blijken.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 24 augustus 1956

Daniel | 8 Pagina's

Kerkgeschiedenis

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 24 augustus 1956

Daniel | 8 Pagina's