Gods voorzienigheid
Dc werken Gods (ll.)
Al wat Gods Hand voortgebracht heeft, wordt ook door diezelfde Hand onderhouden. Psalm 93 zegt daarvan: „Hij bevestigt d' aard, en houdt door Zijne hand, dat schoongebouw onwankelbaar in stand."
Die voortdurende zorg Gods voor het geschapene, die bestendige werking Zijner almacht en goedheid noemen wij de Voorzienigheid Gods. De Heidelbergse Catechismus spreekt daar zo juist en treffend over in de tiende Zondagsafdeling; en laat daarin zo duidelijk zien, hoe de gelovige op een geheel andere wijze deelt in de voorrechten van Gods voorzienig bestel, dan de ongelovige. Het is er mee, zoals we het terecht wel eens hoorden uitdrukken: „Dc Heere houdt de aarde en al haar voortbrengselen in stand voor zijn eigen volk; en de overige mensen mogen er van meeeten."
Het is niet zonder betekenis voor het geloofsleven van Gods volk, om op de weldaad der Voorzienigheid eens meer in het bijzonder te letten. Dat willen wij dan ook in enige artikelen eens doen. Voorzienigheid betekent niet slechts, dat God alles tevoren ziet, of vooruitziet, (dat behoort er wel bij) maar het ookf is veel meer een voorzorg, een verzorging en toebeschikking van alles, wat het schepsel van node heeft. Plet is geen werkeloos toezien vanuit de verte, om te kijken, wat er in en met de wereld gebeurt, maar het is een daadwerkelijke kracht, een werking van Gods almacht, waardoor Hij het roer van het schip der schepping in Zijn Goddelijke handen houdt, en alle gebeurtenissen bestuurt naar Zijn heilige wil.
De Voorzienigheid Gods is dus niet te verwarren met het besluit Gods; ze is er veel meer de uitvoering van in de tijd; maar dan de uitvoering, die beoogt in stand te houden, wat Zijn hand gewrocht heeft. Immers, al wat God geschapen heeft, is vol leven en beweging; er is groei en ontwikkeling; uitbreiding en wijziging in op te merken. Een dood ding zou geen instandhouding behoeven; maar wat levend is, heeft voeding en verzorging van node. En daarvoor zorgt nu Gods Voorzienigheid.
Vóór de schepping was er geen Vooizienighend, want er viel niets te onderhouden of te besturen; maar zodra er iets bestond, moest het verzorgd en geregeerd worden. De Voorzienigheid is alzo een vervolg op de schepping.
De levende God gaat van Zijn werk niet af en laat het niet aan de schepselen in eigen beheer over. Ilij doet niet als een scheepsbouwer, die, wanneer hij zijn schip klaar heeft, er af is, en het aan de varenden overgeeft. De wereld is ook geen uurwerk, dat slechts 1111 en dan maar behoeft opgewonden en geregeld te worden en overigens wel „vanzelf" loopt. Neen, Gods hand is er dag en nacht, zonder ophouden mee bezig. Hij draagt alle dingen door het Woord Zijner kracht. Het is zoals het bij de profeet Jesaja heet, in hoofdstuk 40: „Weet gij het niet? hebt gij niet gehoord, dat de eeuwige God, de Heere, de Scheppei van de einden der aarde, noch moede, noch mat wordt? Er is geen doorgronding van Zijn verstand."
En als de profeet dat zegt, dan bedoelt hij daarmede niet, dat God de Heere al lei. in stand houdt zonder meer, maar hij wil cr mee zeggen, dat die instandhouding van het geschapene bepaaldelijk dient tot heil van Zijn verkoren volk. Dat volk is zo vaak kleinmoedig; heeft ook 'zo dikwijls kleine gedachten van de macht en cle voorzorg Gods, en daarom roept cle profeet het uit, clat het voorzienig bestel Gods er toe dient, om Zijn kinderen te midden van al het wereldgebeuren, dwars door alle stormen en orkanen heen, te bewaren en vaderlijk voor hen te zorgen.
Want dit staat vast, clat er op heel het wereldrond niets is, clat in Gods ogen zó dierbaar en waardevol is, als Zijn eigen duurgekochte gemeente. En als het welzijn van deze keurlingen het nodig maakt, dan moeten alle krachten in de natuur en in cle genade, als middelen Zijner Voorzienigheid er toe medewerken, om clat volk te redden, te bewaren, uit te helpen en te verlossen, waar en wanneer het maar nodig mocht blijken. Zo gaat clan Gods Voorzienigheid over alles; maar bij en in clat alles, inzonderheid over hen, die door Hem van eeuwigheid af gekend en bemind zijn! Wat zijl gij dan vreesachtig, gij kleingelovige? Zou Hij, die cle wereld schiep en nog dagelijks in stand houdt, dan 11 niet zien, en niet voor 11 zorgen? Eer zou heel cle schepping ineenstorten, dan clat Hij Zijn eigen kinderen zou vergeten! Grijp u daaraan clan ook in deze bange tijd vast!
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 27 juli 1956
Daniel | 8 Pagina's