JBGG cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van JBGG te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van JBGG.

Bekijk het origineel

Leeuwerik en dichter In „hogere sferen"

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Leeuwerik en dichter In „hogere sferen"

4 minuten leestijd

Onze jongens en meisjes, die voortgezet onderwijs moeten volgen, zullen zeker bij cle literatuurlessen te maken krijgen met de dichter P. C. Boutens. Diens naam is in deze rubriek ook al meer dan eens genoemd en enkele gedeelten uit zijn werk hebben we nu en clan moeten citeren om het een en ander te verduidelijken.

Zo gauw kunnen we verleid worden, te denken, dat we met een christelijke schrijver te maken hebben. De naam God wordt genoemd en het gaat over het Kerstkind, over cle Emmaüsgangers; nietwaar, clan gaat dat ons meer trekken, dan wanneer er banale woorden worden gebezigd. En toch... We dienen iets te weten over cle dichter in kwestie om goed te kunnen luisteren naar wat hij ons te zeggen heeft. Dr. Eringa heeft een studie over hem gemaakt en daarin lezen we: „Zijn Zeeuwse afkomst, zijn calvinistische opvoeding en de studie der klassieke letteren, die hem met de griekse kunst in aanraking brengt, moeten met name worden vermeld om cle ontwikkeling van zijn poëzie te verklaren. De eerste heeft grote invloed op Boutens' natuurvoorstellingen. De tweede is van betekenis voor zijn mystiek-religieuze aanleg. De derde vormde deze religieuze persoonlijkheid in esthetische zin, en gaf aan zijn kunst dat verfijnd aristocratisch karakter, waardoor hij een geheel enige plaats onder cle Nederlandse dichters inneemt."

In Middelburg geboren uit „kerkse mensen" (als ik me niet vergis, waren deze chr. ger.), heeft hij van jongsaf cle Schriften gekend; heeft hij het overweldigend mooie natuurschoon van Walcheren vóór cle oorlog gezien en het is dan ook geen wonder, dat hij beelden gebruikt van de zee, het wijde land, cle prachtige landouwen en de wisselende wolkenpartijen, Hoe vaak hoorde hij de leeuwerik boven het walcherse land!

Is er wel een vogel, die meer zingt dan de leeuwerik? Soms is het diertje uit het gezicht verdwenen en nog hoort men de heldere stem. De mensen, die op de akker werken, horen de ganse dag het aanhoudend gejubel van het kleine dier. Of ze horen het niet meer; ze worden er zo gewoon aan, dat ze er geen erg meer in hebben.

Wanneer Willem Sluiter de leeuwerik bezingt, spoort hij de mensen aan om het voorbeeld van deze vogel te volgen:

Trage ziel, die heel onlustig Tot de lof des Heeren zijt, Op! dit beestje maakt u lustig! 't Roept: 't is tijd, tijd, tijd, tijd, tijd! Dringt van d' aard' en d' aardse dingen Onverhinderd door de lucht, Om uw Schepper lof te zingen! Geeft hem uwer lippen vrucht!

Bij Boutens is dat heel anders. Hij is de zoeker van de schoonheid in alle dingen; erger nog: de schoonheidsontroering is bij hem alles. Zijn ziel, ontroerd door de schoonheid, heft zich op van de lage aarde tot „hogere sferen", maar het is geen verlustiging in God. Het kan zijn, dat de naam God wordt gebruikt, maar dan is die naam voor de dichter niet dc Vader van de Heere Jezus Christus, maar meer een symbool van schoonheid en iets dat hem schoonheidsontroering brengt.

Het is zeer begrijpelijk, dat zo'n dichter zich aangetrokken moet voelen tot de zingende leeuwerik. Dat beest immers, wil los van al het aardse gewemel, om zich uit te zingen, ver van de donkere aarde. Zo is het ook met de dichter: de lage dingen van de aarde kunnen hem niet bekoren; hij moet opstijgen omhoog, om daar de smart van dit ondermaanse uit te dragen. En dan niet als Asaf: het is mij goed nabij God te zijn — maar om uitgetild te worden uit het stoffelijke, zoals de Grieken het hem hebben geleerd: de ziel zit gevangen in de kooi van het lichaam en die ziel is met heimwee vervuld om die enge „kerker" te mogen ontvluchten.

Blijft gij nooit één blanken uchtend, Leeuwrik, zingen hier beneên, Die uw nachtlijk nest ontvluchtend Door de zilveren neevlen heen

Vleug'lings vindt de gouden wegen Waar uw aadmen juichen wordt, Tot uw zang in vuren regen Naar de koele aarde stort;

Zingt gij nooit de roode smarten Van den duistren aardenacht, Wordt het bloeden onzer harten Wel gestelpt, maar nooit verklacht? ....

En dan gaat de dichter de vogel verstaan en gaat hij zich met het dier vereenzelvigen:

In het ijle blauw verloren Volgt mijn oog niet meer uw vlucht, Maar uw antwoord dwaast mijn oren Met zijn zaligend gerucht:

Steeds, uit vreugd of smart gerezen, Heeft de ziel uw vreugd verstaan,

En tot uwe vreugd genezen, Ons gemeen geheim geraèn:

Alle smart omhooggedragen Meerdert vreugdes gouden schat: Slechts de vleuglen die ons schragen, Zijn van liefdes tranen nat.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van woensdag 20 juni 1956

Daniel | 8 Pagina's

Leeuwerik en dichter In „hogere sferen"

Bekijk de hele uitgave van woensdag 20 juni 1956

Daniel | 8 Pagina's