Veelomvattende arbeid
Door de Kerk van Groningen werd in 1909, vijf jaren nadat Wielenga zijn arbeid op Soemba was begonnen, ds. Krijger uitgezonden. Ook West-Soemba moest bearbeid worden. Nu werkten dus vier zendelingen: Wielenga, De Bruyn, Colenbrander en Krijger. De vooruitstrevende Wielenga durfde zelfs om een vijfde man te vragen. Vooruitstrevend is eigenlijk het goede woord niet: Wielenga zag maar al te goed, dat het werk van de zending zo veel omvattend is. Een zendeling, vooral wanneer pioniersarbeid moet verricht, moest zo veel verschillende dingen ter hand nemen. Alles vergde ontzettend veel tijd. Uit de brieven, die Wielenga aan de zendende kerken schreef, blijkt dit zeer klaar.
In een van deze brieven lezen we: „Het idee, dat een zendeling persé een theoloog moet zijn, mag theoretisch te verdedigen zijn, maar praktisch zou men het anders willen. Mijn verborgen talenten moesten zich tot dusver ontwikkelen in gans andere richting, als daar zijn architect en aannemer van gebouwen, reiziger en landontdekker, amateur in ziekenbehandeling en dan het belangrijkste: leek-taalgeleerde. En mijn theologie kwam dan alleen te pas bij het ontdekken van het Soembanese animisme (geestenverering). Een mogelijke vijfde man in de toekomst zou een „taai-mens" moeten zijn en zich daar speciaal een paar jaar voor moeten bekwamen."
Wat was voor dit alles geld nodig! Er moest gezorgd worden voor een predikant, een arts, een onderwijzer, een taalgeleerde, en ga zo maar verder. Hoe moesten de kerken in Nederland aan al het gekl komen? Dat de kerken in het moederland met de zending op Soemba meeleefden, sterkte Wielenga tot grote troost.
Over het oprichten van scholen had Wielenga ook al veel gedacht, maar o, wat waren ook in dezen de moeilijkheden groot! Praat met de Soembanezen toch niet over scholen. Dat moest Wielenga terdege ondervinden. Het oprichten van scholen was zo'n grote nieuwigheid, dat de toorn van de voorouders over ze zou komen. Weer die voorvaders!
Een school was in strijd met de zeden en gewoonten. De hoofden van het volk moesten er zeker niets van hebben, want dan zouden straks de slaven over de hoofden gaan regeren. Het volk zou te knap worden. Toch zou Wielenga zijn zin proberen cloor te drijven. Na heel veel geharrewar kwam er eindelijk een schooltje in Pajeti. Schrik niet als je er binnentreedt! Het is slechts vier bij vier meter; heeft een aarden vloer en matten wanden. Het aantal leerlingen bedraagt slechts vijftien en die kinderen zijn haast gedwongen om te komen. De ouders wilden Wielenga een pleiziertje doen: cle man had zo graag een school! Wanneer de zendeling naar een naburige kampong op leerlingen-„jacht" ging, kreeg hij te horen: „Mijn jongens, die daar rondlopen, kan ik niet missen; ze zijn trouwens ook te dom en te ondeugend, maar als die groot is, dan zal ik hem naar uw school zenden." Welk kind bedoelde cle man? Een baby van een paar maanden oud!
Hoe ontmoedigend moest zulk een gezegde voor Wielenga zijn!
En toch.... het schooltje te Pajeti was als de oorsprong van een beek, klein en onaanzienlijk, maar toch het begin van een stroom, die voortdurend het water aanvoert, zonder ophouden.
In 1912 was het leerlingenaantal opgelopen tot 248, verdeeld over vijf scholen. Het volgende jaar werd T. van Dijk aangesteld als schoolopziener, zodat Wielenga de handen meer vrij had voor ander werk.
In die dagen moest de zendeling vaak terug denken aan het eerste schooltje te Pajeti. Hij schreef: „In later dagen, met onze goed ingerichte volksscholen, waar onder leiding van de schoolopziener goed onderwijs werd gegeven, heb ik dikwijls terug gedacht aan dit allereerste eenvoudige begin. Dit kleine stekje, te Pajeti geplant, is niet alleen daar ter plaatse uitgegroeid tot een kostelijke boom, maar vandaar zijn cle uitplantingen ook gegaan over geheel het eiland. Het wordt me nu te Pajeti haast te beschaafd; 't wordt tijd, dat ik naar het westen verhuis."
Waar werd Wielenga al niet voor gebruikt! In het landschap Kapoendoek bevond zich een beruchte paardendief. Oemboe Pomboe genaamd. Van alle kanten waren klachten binnen gekomen en men zou Pomboe onschadelijk maken. Van twee kanten kwam het gevaar voor de man: de Hollanders, bij de inlanders de „Compagnie" genoemd, en de Soembanezen. De paardendief kon schuilplaatsen genoeg vinden, maar tenslotte kwam de „vijand" toch angstig dichtbij. Oemboe dacht er clan ook maar aan zich over te geven aan de „Compagnie". Hij durfde zich echter niet melden. En wat deed hij nu? Hij zond een bode naar Wielenga met het verzoek om bemiddelend op te willen treden. „Toean moet niet
boos worden, " zei de bode, „maar hij durft zich niet buiten het landschap Kapoendoek begeven, want hij mocht eens soldaten tegen komen of vijandelijke Soembanezen."
Wat moest Wielenga doen? Als hij meeging met de bode, waren er zeker gevaren aan verbonden, maar deze gevaren trotseerde hij. In een vernuftige schuilplaats werd Oemboe opgezocht en naar de soldaten gebracht. Door de bemiddeling van de zendeling mocht de gevreesde man naar zijn kampong terug keren en daar blijven wonen, als hij zich voortaan rustig zou houden.
We behoeven niet te zeggen, dat door deze daad van Wielenga het vertrouwen in de toean zeer werd versterkt.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 juni 1956
Daniel | 8 Pagina's