JBGG cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van JBGG te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van JBGG.

Bekijk het origineel

Marapoe en de levende God

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Marapoe en de levende God

5 minuten leestijd

Terwijl Paulus zijn medearbeiders Silas en Timotheus te Athene verwachtte, werd zijn geest in hem ontstoken, ziende dat de stad zo zeer afgodisch was. In zijn toespraak tot de Atheniërs luidde het: „Gij mannen van Athene, ik bemerk dat gij alleszins gelijk als godsdienstiger zijt." Iets dergelijks overkwam ook zendeling Wielenga, wanneer hij het eiland Soemba doorkruiste. Dagenlang was hij weg, ja, soms werden het wel weken. Wat waren die tochten vermoeiend! Meestal werden paarden gebruikt, die bij ravijnen aan de hand moesten geleid en de andere kant weer opgeholpen moesten worden bij het bestijgen van de steile gedeelten. Wat kon de hitte ondragelijk zijn en welke moeite had men met de grote stenen, die de wegen zozeer konden versperren. Dan weer moest men waden door modder en dan liep het pad weer door gras, zo hoog, dat men mensen en paarden niet meer zag.

Geen moeite ontzag Wielenga echter. Ilij moest zijn volk leren kennen en vooral moest hij op de hoogte gebracht worden met de gedachtenwereld van de Soembanezen. En wat merkte hij dan? Hetzelfde als Paulus zag bij de inwoners van Athene: allen brachten offers; allen waren bevreesd voor de toorn der goden. Er waren inboorlingen, die durfden spotten met de geesten, maar als het er op aan kwam, dan durfden zij het offeren toch niet te laten. Zij hadden toch maar liever dat de goden hen welgezind zouden zijn.

Opvallend was het, dat Wielenga overal in de kampongs een menigte offerstenen zag; bij de dorpspoort van elke kampong zag hij haast overal een steen, verborgen tussen gras en vuil. Door aanvraag kwam de zendeling er achter waar deze bizondere steen voor dienen moest. De inboorlingen werden langzamerhand aan de toean gewend en ze zeiden hem dan ook wat de blanke man wilde weten. De offerstenen moesten het dorp bewaken voor de zielen der afgestorvenen.

In het kleinste tuintje ontwaarde Wielenga een klein offersteentje, waarin zich wat schilfertjes goud in een uitholling bevonden. Bij zo'n steen werd een kip of een kuiken geslacht en de geest in de offersteen zou dan tevreden zijn en 's nachts over het veld rond gaan om de vruchten te beschermen of hetgeen bescherming nodig had.

Op zekere rtacht zou de zendeling overnachten bij een Soernbanees. Hier zag hij het offeren van nabij. Een haan werd geslacht en het dode dier werd door een jongen in het vuur gehouden en geplukt. Even later werden de ingewanden bekeken om te weten te komen of de tekenen gunstig waren. We moeten hier onwillekeurig denken aan onze heidense voorouders, die ook de ingewanden van de geslachte dieren bekeken 0111 te zien of ze dit of dat zouden ondernemen. Toen de tekenen blijkbaar gunstig stonden, werd het dier gekookt, maar de jongen nam een bosje staartveren om die te steken in het rieten dak. Het vlees van de haan was voor de bewoners van het huis, terwijl cle geest van het huis met enkele veren tevreden gesteld moest worden. In het huis bevond zich dicht bij het dak een mandje, waarin de geest van het huis zijn intrek had genomen. De geest had de geur van het offer geroken en zag nu ook cle veren in het dak: hij kon tevreden zijn.

Zou Wielenga's geest niet ontstoken worden? Hij kon niet zwijgen en zei tegen de Soembanees: „Als ik hier marapoe (geest) was, had ik liever het vlees clan cle veren."

Hoe verwonderd keken cle mensen elkander aan! Ze snapten er totaal niets van. Wielenga zou zich duidelijker moeten uitdrukken. Wat bedoelde hij ?

„Ik vind, dat cle marapoe hier spoedig tevreden is. Wij eten het vlees en hij krijgt slechts een bosje veren. De honden hebben het nog beter, want die mogen de beentjes opeten en cle varkens verslinden cle darmen."

„De marapoe ziet toch onze goede wil en wij hebben toch aan hem gedacht? " „Als jullie iets van de vorst begeren en hem voor het verzoek iets willen geven, gaan jullie dan met een bord veren naar hem toe? Ik denk, dat cle vorst erg boos zou worden. Misschien wierp hij het bord met veren wel naar jullie hoofd."

„Dat zou hij zeker doen, " was het antwoord, „maar onze marapoe doet heel anders; clie is tevreden met wat wij hem altijd nog hebben aangeboden. Als wij met onze gasten eten en we geven hem cle veren, clan weet hij toch, dat we hem niet hebben vergeten? Hoe cloet toean het dan? "

Nu was er voor Wielenga gelegenheid om te spreken over Hem, Die de hemel en cle aarde geschapen heeft en Die de Bezitter is van alles wat op aarde en in cle zee is. De Heere van alles heeft van ons geen varken of haan nodig, maar Hij vraagt onszelf, «le gehele mens. Wij moeten God gehoorzamen en Hem dienen.

En clan kwamen de tegenwerpingen van de Soembanezen. Het was hun gewoonte niet. Zulke dingen waren goed voor de toean, maar dat was niets voor hen. „Ik weet wel, dat jullie niet anders kunt, " sprak cle zendeling clan, „maar jullie moet het anders leren. Luister maar wat God geschreven heeft in het grote Boek. In dat Boek leert Hij ons hoe Hij gediend wil worden." Op zo'n manier werd het Woord

Gods gebracht in de heidenwereld, zo diep verzonken in een poel van ellende.

En dat Woord zal niet ledig tot God wederkeren, maar het zal doen hetgeen Hem behaagt.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 18 mei 1956

Daniel | 8 Pagina's

Marapoe en de levende God

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 18 mei 1956

Daniel | 8 Pagina's