Onze varende gemeenteleden
RONDKIJK
Uw rondkijker vindt schippers gezellige mensen. Hij mag er graag eens mee praten. Ze leven zo hun eigen wereldje, geheel anders dan wij mensen aan de wal. Hun vaartuigen zijn alle wel gemotoriseerd, maar het komt mij voor, dat schippers nog niet dat gejaagde hebben zoals wij dat kennen. Zeker, er zit in de schipperij letterlijk en figuurlijk gesproken „vaart", ze vallen soms van de ene reis in de andere en komen dan zelfs weinig uren ter kooi, maar het is over het algemeen genomen, toch een rustig en ook een prettig soort volk. Misschien dat een schipper, die ons jongelingsblad leest, over dit gezegde glimlacht; toch komt het mij voor dat het waar is. Hoeveel temperament ze dikwijls ook hebben, ze moeten dit vaak inbinden, b.v. bij ligdagen, bij wekenlange vorst, bij ongunstig tij of stormweer. Dat staalt hen. En bij een lange vaart, rustig aan het roer staande, kunnen ze hun gedachten de vrije loop geven. Daar komen velen aan de wal dikwijls niet eens aan toe! Deze psychologische beschouwing over de schippers — waarmee ik er misschien wel wat naast ben — heb ik eigenlijk maar gebruikt als een aanloopje om wat anders over hen te schrijven. Onder onze schippers zijn een groot aantal belijdende lidmaten van de Gereformeerde Gemeenten, die wat hun geestelijke verzorging betreft wel wat ten achter staan bij die van andere kerkgroeperingen. Als uw rondkijker het goed voor heeft, hebben de Hervormden en Gereformeerden een evangelisatie-boot, die de „varende gemeenteleden" bezoeken. In de Rotterdamse havens klampen ze bij de schippers aan, komen in de roef en spreken met hen over hun geestelijke belangen. Ze „evangeliseren", dw.z. ze beperken zich niet tot het schippersgilde van hun eigen kerk, maar ze nemen alles waar. Zijn er moeilijkheden, komen ze met raadgevingen; is er een zieke komen ze met troost. Dat moeten onze schippers missen. In gesprekken met schippers moesten we horen dat het als een gebrek wordt aangevoeld, dat van onze Gereformeerde Gemeenten deze „geestelijke bijstand" geheel ontbreekt. Men voelt wel aan, dat met de weinige predikanten die wij hebben, die bovendien overstelpt zitten in hun werk, er niet nog eens een op de varende gemeente kan worden afgestuurd. Maar toch zou er volgens mij op de knooppunten van onze waterwegen waar b.v. veel schippers zondag komen houden, wel wat aan kunnen worden gedaan, door b.v. een ouderling te belasten deze mensen op te zoeken. In de havens van Rotterdam zou daar werk voldoende voor zijn. Het behoeft niet perse een ouderling te zijn, de gemeente zou er ook een particulier persoon voor kunnen aanwijzen. Wat kan het aangenaam zijn als er een zieke aan boord is en er komt iemand, die eens een troostend woordje spreekt en een gebedje doet!
Een andere oplossing zou zijn om in ons kerkelijk jaarboekje een aantal adressen op te nemen, tot wie men zich in de verschillende havenplaatsen kan wenden, als men met moeilijkheden zit. Ook zou het van belang zijn, dat op de schippersbeurzen de predikbeurten geregeld worden aangeplakt van de kerkdiensten, die des zondags (of ook wel door de week) gehouden worden. Dat moest georganiseerd worden.
Daar is nog een groot belang voor de schippers n.1. de Chr. schipperskinderen internaten. De kinderen van onze schippers moeten ook naar school en het liefst willen onze mensen die op onze eigen scholen laten gaan. Zo is er b.v. grote behoefte aan een Chr. Schippersinternaat voor de Geref. Gemeenten te Rotterdam-Zuid. Er bestaat reeds een comité om tot dit doel te geraken, waar zover we weten ook ds. Verhage in zit, twee ouderlingen uit Rotterdam en de heren B. Roest te Scherpenzeel en P. J. Lamoré te Zeist. Op de schippersbeurzen hangt thans een aanplakbiljet dat plannen bestaan tot oprichting van een dergelijk internaat te Rotterdam-Z. met de mededeling, dat schippers zich voor hun kinderen kunnen opgeven. Er wordt dus aan gewerkt. Men moet zich maar niet laten afschrikken wanneer in het begin niet al te veel kinderen worden geboekt, want is het internaat er, dan leert de praktijk dat er meer kinderen volgen. Ds. Mieras te Krimpen a.d. IJsel stichtte een schipperskindereninternaat dat met weinigen begon en thans overbezet is. Vestiging is dus hoofdzaak.
Ik heb dit punt eens aangesneden, omdat wij over het algemeen van onze varende gemeenteleden weinig afweten. Ze hebben geen vaste standplaats; dan liggen ze in de ene, dan weer in de andere plaats. Er kon mogelijk wat meer aan gedaan worden en contacten zullen onze schippers en ook de schippersjongens en - meisjes op prijs stellen.
Als wij b.v. een schipper in de kerk zien — ze zijn meestal wel te herkennen — dan zou het goed zijn deze mensen eens aan te spreken en ze bij ons thuis te vragen op de koffie. Of te verzoeken een avond in de huiselijke kring bij ons door te brengen. Dat zal zeker worden gewaardeerd. Een schippersgezin leeft altijd in een zekere beslotenheid van het eigen vaartuig, het is voor hen ongetwijfeld prettig — vooral ook voor de jongens en meisjes — een avond in de huiselijke kring aan de wal te verkeren. Dat vormt een band. Onze soldaten in de garnizoenplaatsen worden toch ook opgevangen?
Voor onze jongelingsverenigingen ligt hier ook een taak. Schippersjongens willen ook wel eens van gedachten wisselen met onze jongens aan de wal. En als het uitkomt kunnen ze ook de jongelingsvereniging bezoeken. Aan onze varende gemeenteleden mogen wij wel wat meer aandacht besteden.
RONDKIJKER.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 4 mei 1956
Daniel | 8 Pagina's