JBGG cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van JBGG te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van JBGG.

Bekijk het origineel

Een radja volkomen genezen

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Een radja volkomen genezen

4 minuten leestijd

Een vreemde eis als loon

Na een half jaar keerde Wielenga terug van Java; zijn wonden waren genezen, maar over zijn gezicht was een lelijk litteken te zien en ook was zijn mond enigszins scheef blijven staan. Ds. De Bruyn was in die tussentijd ook op Soemba gearriveed. Er werd nu afgesproken dat De Bruyn de savoenese gemeenten zou verzorgen en dan kon Wielenga zich bemoeien met de Soembanezen.

Wielenga bleef voorlopig wonen te Kambaniroe en moest elke dag wel drie kwartier afleggen om bij zijn ziekenhuisje te Pajeti te komen, maar dat had hij er best voor over, al was het jammer van de tijd, die er mee gemoeid was.

Er kwamen steeds meer mensen naar het ziekenhuisje, uit Pajeti en ook uit ver afgelegen kampongs. Op een keer kreeg Wielenga bezoek van de vorst van Napoe. Deze hoge gast had een lelijke beenwond, die helemaal verwaarloosd was. Wat had de vorst er al aan gedokterd! Chinezen en Arabieren waren er aan te pas gekomen en hadden heel wat van de vorst opgestreken. Ze waren meer dan eens met een paard als betalingsmiddel weg gegaan. Kippen en buffelswerden geslacht om de geesten gunstig te stemmen, maar niets mocht baten: de wond genas niet. Ten einde raad zou de radja het nu eens proberen met de blanke man en diens medicijnen. De geest van Wielenga (de beschermgeest wel te verstaan) zou wellicht redding geven. Wat een schrikkelijk bijgeloof! Nog erger: vóór hij vertrok moesten levers van varkens en darmen van kippen onderzocht, of de geesten van de overleden voorvaders het goed vonden, dat de vorst naar een vreemde ging. Onwillekeurig moeten we hier denken aan onze heidense voorvaders, die ook door middel van de ingewanden van geslachte dieren de toekomst dachten te weten te komen.

De voortekens waren gunstig, dus kon de radja met groot gevolg de tocht ondernemen. Een half uur van het ziekenhuis nam hij zijn intrek en van daaruit liet hij zich elke dag naar de blanke medicijnmeester brengen. Deze behandelde de wond, maar het was wel te zien, dat het lange tijd zou aanlopen, eer er van werkelijke vooruitgang kon worden gesproken. Zo lang kon de radja echter niet wegblijven en daarom verzocht hij aan Wielenga met hem mee te gaan.

„Ik heb er heus geen tijd voor, " zei de zendeling tot een helper, „ga jij met de vorst naar het binnenland. Je weet nu de verdere behandeling .en als de wond genezen is, dan kom je weer terug."

De helper wilde er niets van weten en sprak; „Als ik sterven moet, dan wil ik met de toean in huis sterven en niet bij de vorst."

„Hoe kom je daar bij? " vroeg Wielenga. „Wel, u weet niet eens wie u behandelt, " was het antwoord. „De vorst van Napoe is een wreed mens en in zijn kampong gaat het er ruw naar toe. Daarbij komt nog, dat de radja een felle hater is van vreemdelingen."

Nu wist Wielenga genoeg en hij besloot mee te gaan. Wie weet waar het goed voor zou kunnen zijn. In elk geval kwam hij dan nu ver in het binnenland.

Twee dagen was de zendeling onderweg om zich te paard naar Napoe te begeven en dan langs moeilijke wegen in de hitte van de tropenzon.

De vorst maakte de reis per prauw.

Allervriendelijkst werd de witte dokter verwelkomd. Een varken werd geslacht en in 't vervolg ook een jonge buffel. Met de genezing van de wond ging het erg voorspoedig. Slechts tien dagen waren nodig en toen was het been volkomen genezen. Wat was de radja verblijd! De „heer der medicijnen" moest maar zeggen wat hij als beloning wenste. Ds. Wielenga zei niets. Toen zei de vorst: „Neem een paard mee als beloning." Wielenga schudde het hoofd. „O", dacht de radja, „hij wil misschien een buffel. „De blanke man was het ook niet om een buffel te doen. De vorst ging nog meer dingen opnoemen, die begerenswaardig waren: geweven doeken of goud. „Wat zal die man dan toch, " dacht der radja. „Zeg maar gerust wat u begeert. Als ik het begeerde kan geven, zal ik het u niet onthouden."

„Ziet u daar uw zoontje lopen met zijn kameraadje? " vroeg Wielenga en hij wees naar het plein, midden in de dessa. „Als ge me werkelijk wat wilt geven, zoek dan nog een tweetal jongens en breng die in mijn huis. Ik zal ze dan veel leren en dan stuur ik ze terug naar u."

De vorst keek verwonderd de blanke man aan en probeerde het gesprek over iets anders te laten verlopen. Op zoiets had hij niet gerekend. Wielenga poogde zijn eis te verduidelijken en het slot van het gesprek was, dat de radja er nog eens een nachtje over moest slapen.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 20 april 1956

Daniel | 8 Pagina's

Een radja volkomen genezen

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 20 april 1956

Daniel | 8 Pagina's