VRAGENBUS
Correspondentie voor deze rubriek aan : T. MOLENAAR. Leede 18. Rotterdam Zuid
V Correspondentie voor deze rubriek aan : T. MOLENAAR. Leede 18. Rotterdam Zuid
C. E. D. te T. vraagt mijn oordeel over geverfde lippen van vele vrouwen.
Antwoord: De lippenstift, die men nodig heeft, om de lippen te verven, kan ik misschien het beste een plaatsje geven bij cle toiletartikelen, genoemd in Jesaja 3.
Laat ik hiervan iets schrijven, clan weet U wel, dat ik op dezelfde gronden het verven van de lippen veroordeel.
In Jes. 3 wordt gesproken over de zonde, die aan de dochteren Sions ten laste wordt gelegd. De profeet betuigt uitdrukkelijk, dat hij in des Heeren Naam, opdat men het in hem niet onbetamelijk zou achten, acht sloeg op zulke dingen en opdat het hem door de dames niet ten kwade zou geduid worden.
Hij wil zeggen, dat de Heere kennis
neemt van, en zeer misnoegd is wegens de dwaasheid en ijdelheid van hoogmoedige vrouwen, en dat Hij kennis neemt, zelfs van hun kledij.
Zij worden hier beschuldigd van 2 dingen, hoogmoed en brooddronkenheid regelrecht ingaande tegen de eerbaarheid, schaamte en matigheid, waarmede de vrouwen zich moeten versieren. En dat wordt hier verzwaard door twee dingen. Ten eerste, dat zij de dochteren waren van Sion, de heilige berg, die zich met de waardigheid moesten gedragen, welke betaamt aan vrouwen, die de godsdienst belijden. Ten tweede, dat zij om deze hoogmoed en die weelde van hun gezin te kunnen bekostigen, de armen en ellendigen beroofden en verdrukten.
De profeet specificeert hier vele van de sieraden, die zij plachten te dragen. Het is van geen belang om een onderzoek in te stellen naar de aard of de hoedanigheid van deze versierselen. De mode verandert en ook de namen van de modeartikelen. Toch is de vermelding ervan niet tevergeefs, omdat zij dient om de dwaasheid van de dochteren Sions aan te tonen.
We kunnen onderstellen, dat vele van die dingen zeer zonderling en bespottelijk waren, maar omdat het „mode" was, daarom was het „mooi".
De dingen, die alleszins geoorloofd waren, waren in zo'n grote verscheidenheid aanwezig, dat het „weelderige" er boven op lag. In een preek tegen overdaad in kleding heet het: een kleed voor de dag, een ander voor de avond, een lang en een kort kleed, een voor de werkdagen en een ander voor de feestdagen, het ene van die kleur, het andere van een andere kleur, een van stof, een ander van zijde of damast, een kleed voor de maaltijd, een ander na cle maaltijd, een naar de Spaanse, een ander naar de Turse mode.
De o«psomming van 21 toiletartikelen duidt aan, in hoeveel zorg de vrouwen er om waren, hoe haar hart erop gezet was, hoe onveranderlijk haar begeerte er naar uit ging, en hoe zij haar levensgenot er in zochten.
Uit de beantwoording van deze vraag blijkt dus, dat de Heere geen ledig toeschouwer is, temeer omdat Hij in Jes. 3 Zijn oordelen afkondigt over een volk, dat de wereld nadoet. Zo is het ook met het verven van de lippen. Het is op en top wereldgelijkvormig. De kerk des Heeren moet zijn een afgezonderd volk, levende in de wereld, maar niet met de wereld.
Het ware te wensen, dat er zoveel kleur en geur van de kerk des Heeren uitging, dat de wereld er jaloers op werd. Zonder uit een wettisch standpunt te redeneren, zou het ook openbaar worden in „gelaat", in „praat" en in „gewaad."
}. D. te O. vraagt of Hellenbroek zich niet vergist heeft, toen hij in zijn vragenboekje, handelende over het geloof der wonderen, als voorbeeld noemde cle Hoofdman over honderd.
Antwoord: Ik vind Hellenbroek met dit voorbeeld niet gelukkig. Hij had beter andere bewijzen kunnen noemen. In de tien melaatsen is ons een beter voorbeeld gegeven.
Zij kwamen tot Christus, gelovende dat Hij machtig was hen te genezen. Op Zijn Woord: „Vertoon uzelf aan de priester" gingen zij allen, niettegenstaande hun de melaatsheid nog aankleefde. Maar gelovende in de macht des Heeren, gingen zij allen. En zij werden "genezen. Echter kwam slechts één hunner terug. De anderen hadden genoeg aan hun lichamelijke genezing. Zij zagen in cle Heere Jezus niet meer dan een soort wonderdokter. Hun geloof was slechts een sterke vaststelling bij zichzelf, dat Hij machtig was het wonder der genezing aan hen te verrichten. Zij zochten Hem niet tot hun zaligheid, noch gaven Hem de ere, die Hem toekwam.
Zelfs Judas werd macht gegeven alle ziekten en kwalen te genezen. Hoezeer blijkt hieruit, dat het wonder-geloof niet zaligmakend is. Calvijn schrijft: „Het grijpt niet de gehele Christus aan, maar slechts de macht om wonderen te doen. Hoe heel anders is dit bij de hoofdman over honderd.
Mattheus 8, waarin ons de genezing van de knecht van de hoofdman wordt beschreven behoort tot de paarlen van cle Evangelische geschiedenis. Het toont ons een godsdienstig gemoed in cle meest beminnenswaardige, kinderlijke vorm, clat zijn geloofsleven zonder iets uitwendig-dogmatisch vrij openbaart. De hoofdman, in het heidendom opgevoed, neigde, onder de Joden levende, tot het Oud-Testamentische leven; de wonderen uit de tijd der aartsvaders, van welke hij vernam, heeft hij wellicht dikwijls verlangd te zien, zonder te weten, dat hij oneindig veel meer zou zien clan zij. Hoe schoon beoefent de hoofdman aan zijn knecht de liefde, die voortvloeit uit het zaligmakend geloof en de broeder weldoet. Niet een zoon, niet een broeder, slechts een slaaf is ziek. En ziet, de heer loopt en bidt voor zijn knecht. En hoe hartelijk bidt hij. Ge hoort het aan zijn woorden. Hij gevoelt met de zieke zijn pijnen en zou het hart van de profeet wel willen bewegen, gelijk zijn eigen hart bewogen was. Voor dit laatste behoefde hij zich echter niet bezorgd te maken, want de Heere stond reeds gereed om Zijn bewogenheid te tonen. Hij, Die gekomen was om kranken te genezen en aan ellendigen wel te doen.
Als cle Heere Jezus tot cle hoofdman zegt: „Ik zal komen en uw knecht genezen, " dan geeft de hoofdman zulk een treffend antwoord, clat de Heere Jezus zegt: „Voorwaar zeg Ik u, ik heb zelfs in Israël zo groot geloof niet gevonden." Dat hier het zaligmakend geloof bedoeld wordt blijkt wel uit hetgeen cle Heere er nog bij zegt, n.1.: „Doch Ik zeg u, clat velen zullen komen van oosten en westen, en zullen met Abraham en Izaak en Jakob aanzitten in het Koninkrijk der hemelen."
N. te O. vraagt waarom de Heere Jezus Zich noemt: „Alfa en Omega".
Antwoord: Alfa is de eerste letter en omega de laatste van het Griekse alfabet. In Openbaringen 8 noemt cle Heere Jezus Zich aldus: Ik ben de Alfa en Omega, het begin en het einde." Evenzo is het in Openb. 21 : 6 en Openb. 22 : 13. Dat cle Heere Jezus Zich zo noemt, betekent, clat Hij er was voor de wereld geschapen was en eer cle wereldgeschiedenis begon en clat Hij er zal zijn, wanneer de wereldgeschiedenis eindigt, het vergankelijke ophoudt, en alles eeuwig en onvergankelijk is.
In Spreuken 8 kunt U het vinden. Daar toch lezen we: „Ik ben geboren als de afgronden nog niet waren, als nog geen fonteinen waren, zwaar van water; aleer de bergen ingevest waren, voor de heuvelen was ik geboren, enz."
In Matth. 28 : 20 zegt de Heere Jezus: En zie, ik ben met ulieden alle dagen tot cle voleiding der wereld."
Alfa en Omega bewijst, clat cle verheerlijkte Koning niet geschapen is, maar dat Hij het zelfde Goddelijke Wezen met cle Vader deelachtig is. God de Vader spreekt ook aldus: Ik, de HEERE, Die de Eerste ben en met cle laatste ben Ik Dezelfde." (Jes. 41 : 4). Lees nu ook Jesaja 44 : 6 en Jesaje 48 : 12.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 20 april 1956
Daniel | 8 Pagina's