Het leven lokt uit honderdduizend ogen
(De Mérode - Het heilig licht)
Nog eenmaal moeten we terug komen op het bundeltje „Het heilig licht" van Willem de Mérode. Een achttal gedichen wordt gewijd aan de jeugd. Die jeugd gaat De Mérode ter harte. Hij heeft de jongens gekend: hij stond een tijdlang voor de klas.
Een gedicht heet: „De dertienjarige." Een jongen van dertien jaar is nog kind, al doet hij soms of hij al groot is. Maar als het erop aan komt, dan is hij nog een kind van acht jaar, zo speels, zo kinderlijk, zo onbevangen. Moeder weet het wel en ze slaakt de verzuchting: ik wou dat mijn kinderen maar zo bleven. Ze weet: straks wordt het anders; dan komt het ruwe, het geweldige, het rusteloze; ze verzucht: de kinderen moesten zo maar blijven. De Mérode heeft dat aldus uitgebeeld:
Rustig ziet hij t grote leven komen, Want zijn jong en argeloos gemoed Voelt de gisting nog niet van het bloed, Als het voorjaar opstuwt in de bomen.
Hij geniet de wereld zonder schromen. Elke dag geeft vreugde in overvloed. Is 't werk lastig, 't spel valt dubbel zoet. 's Avonds slaapt hij daadlijk zonder dromen.
God, laat hem zo lief eenvoudig blijven. Als de bittre strijd met 't leed begint, Als de mensen lasteren en kijven, Geef, dat hij uw grote vrede vindt. Laat als man hem tegen 't kwade krijgen. Maar voor U zijn, levenslang, een kind!
Dat argeloze leven blijft niet. De tijd gaat als een stroom, die niet is te keren, voort. En de tijd neemt ons mee. Het leven schuift verder. De jeugd gaat over in cle jongelingschap, om dan verder te komen tot de mannelijke jaren. Dat gaat echter niet ongemerkt. Van alle kanten loeren de gevaren: het wordt een moeilijke tijd; een tijd van twijfel, van onverschilligheid. Soms wordt radikaal met elke godsdienst gebroken. Door de omgang met slechte vrienden wordt veel, zo niet alles, bedorven. Waar blijven cle vruchten van de opvoeding? Hebben daar vader en moeder voor wakker gelegen? Hebben ze daarvoor aan het ziekbed zitten waken? Het wordt alles te grabbel gegooid.
In deze moeilijke tijd kan de Heere helpen. Zijn bijstand moet ingeroepen worden. De Mérode heeft dat ook aangevoeld. Dat blijkt duidelijk uit het gedicht: „Als een jongen groot wordt."
Het leven lokt uit honderdduizend ogen, Er is een huivrig strelen in de wind. Met iedre diepe ademtocht verzwindt De kracht, of zoet vergif werd ingezogen. Zijn pols jaagt heet en stokt. . .. het fel bewogen Bloed, dat zijn gudsende ommegang hervindt, Maakt hem zo zwak, dat hij graag als een kind In moeders arm heftig zou schreien mogen.
De geestelijke boosheên in cle lucht Loeren en luistren of door blik en zucht 't Moe hart wanhopig zich van God zal scheuren.
God! wil dan helpen! kom ter hulpe, God! Wil, 't kwaad belachend in uw hoge spot, Dit arm geslingerd hart tot Uw hart beuren.
Het slot van het laatste gedicht uit het bundeltje luidt:
God, die hem reeds van jongsaf hebt geleerd, Hoe bidden elke boze aanval weert En U ter hulpe drijft in rouw en rampen, Geef zijn bewogenheid uw kalme rust. Maar dwing hem om het lokken van de lust Met uw sneltreffencl wapen te bekampen.
INDEX.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 20 april 1956
Daniel | 8 Pagina's