Mea culpa
In de regel hebben de passieliederen zo iets toeëigenends: het is meestal zo, dat het lijden van Christus voor mij persoonlijk is geschied; het wordt zo gemakkelijk uitgedrukt: mijn zonden zijn aan het kruis geboet. En voorwerpelijk is dat gewis zo, maar het zal een onderwerpelijke zaak moeten worden. Door het geloof alleen zal het aangenomen kunnen worden. Het is zo gemakkelijk gezegd: „Mijn Verlosser hangt aan 't kruis", maar om dat met het hart te kunnen zeggen, zal eerst een rechte kennis van schuld moeten voorafgaan.
We kunnen niet klakkeloos zeggen, zoals Revius deed: „Ik ben 't, o Heer, ik ben 't die U dit heb gedaan, Ik ben de zware boom die U had overlaan, Ik ben de taaie streng, waarmee Gij gingt gebonden, De nagel en de speer, de gesel, die U sloeg, De bloedbedropen kroon die Uwe schedel droeg; Want dit is al geschied, helaas! om mijne zonden." Iets dergelijks, als bij Revius, vinden we ook bij een dichter van deze tijd. Roel Houwink schreef een lijdensgedicht met net opschrift „Mea culpa", dat is: „Door mijn schuld." Het luidt:
Gekweten hebt Gij met Uw bloed de schuld, waar ik aan sterven moet. Het handschrift, dat mij tegen was, ligt weggesmeten in het gras.
Maar zelve hangt Gij aan het hout Wat baat het, of mijn hart nu rouwt? Riep niet met heel Jeruzalem ook ik driemaal het: „Kruisigt Hem!"
De overdenking van de droeve gang naar de kruisheuvel kan niet anders opleveren, dan dat de dichter er met schuld uit komt: hij heeft meegedaan met het najouwen en liefdeloos zag hij de Gekruisigde smachten naar water. In het gedicht is het zo:
Was ik het, die het schandhout droeg of droef Uw kruisgang gadesloeg? Ik heb met hen U nagejouwd Was ik het, die U laafnis bood, toen Gij versmachtte totterdood? Met hen liet mij Uw weedom koud....
Dit alles bedenkende, durft hij zijn ogen niet meer opheffen, en als hij de droppels bloed ziet, blijft er niets anders meer over dan zich moordenaar te noemen:
Ik stond er bij en zag het aan, maar wist Uw doodsblik te ontgaan; enkel Uw naakt en schuldloos bloed zag ik verstromen voor mijn voet....
Toen voor het eerst werd mij onthuld de afgrond van mijn eigen schuld; mijn hart en handen werden zwaar, een stem in mij sprak: moordenaar!
Hugo de Groot heeft een betrachting van Christus' lijden beschreven; de laatste regels van deze beschouwing worden een gebed:
Heer in Uw eeuwig rijk wilt onzer toch gedenken, En uit gena alleen ons de genade schenken, Waarnaar Gij hebt gedorst, waarop Gij hebt gewacht, Opdat het al in ons door U zou zijn volbracht. Bestrijket met Uw bloed de posten onzer zielen, Opdat 's verdervers hand ons niet en koorn' vernielen, En voedt ons met Uw vlees, dat van den houte kwam, Vlees van een onbevlekt en ongebroken Lam. Uw naaktheid zij ons kleed, verlost ons door Uw handen, Geneest ons door Uw smart, vereert ons door Uw [schande, Gij, die verwezen zijt, spreekt ons van zonden vrij, Maakt levend door Uw dood, en door Uw kruise blij. Over de bekeerde moordenaar schrijft Heiman Dullaert:
Hij, in zijn moordersschap aan schaduwen verplicht, Wordt in 't geloof bedaagd van een genadelicht, Terwijl zijn kwijnend oog 't natuurlijk licht gaat derven. De kruisnacht, door het recht de booswicht aangezeid, Wordt de boetvaardige een dag van zaligheid; Die dood was toen hij leefde, o, leeft hier in zijn sterven.
INDEX.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van maandag 9 april 1956
Daniel | 8 Pagina's