De staat Israël
Economie 1.
In het nabije oosten is de droogte een overheersende factor. Van de hele oppervlakte ontvangt nog geen vierde gedeelte een gemiddelde jaarlijkse neerslag van 125 mm (Nederland 750 mm). Dat in het oude Egypte en in Mesopotamië (Irak) in oude tijden zoveel mensen konden wonen, kwam door een goed ontwikkeld irrigatie-systeem (bevloeiing der velden). Nu in het laatste land deze kunstmatige bevloeiing is verwaarloosd, woont er nog slechts 1/5 van het aantal mensen van vroeger.
Israël met een oppervlakte van 21.000 km 2 (± 2/3 x Nederland) heeft alle mogelijke overgangen tussen een subtropisch Middellandse Zee-en een woestijnklimaat. De zomers zijn over het algemeen heet en de winters over het algemeen regenachtig (dec. en jan.) Van het noorden naar het zuiden neemt de neerslaghoeveelheid af. In grote trekken geldt:
1. De kustvlakte is warm en vochtig in de zomer en de winter is mild. De regenval is overvloedig.
2. Het heuvelland is koel en droog in de zomer en in de winter koud. Meestal is er veel neerslag, die echter zeer onregelmatig valt. Daardoor wisselen droge en natte jaren elkaar af.
Gemiddeld ontvangt Jeruzalem 633 mm (Parijs 576 mm).
3. De Negeb: Heet en droog in de zomer, koud en droog in de winter.
Vergeleken bij oude tijden heeft de bodem ook veel geleden: wind en water hebben de heuvels ontdaan van hun vruchtbare laag, terwijl de mens, geholpen door de geit, de bomen heeft vernietigd, die vroeger met hun wortels het regenwater vasthielden. Voor 't hele land is het gelukkig, dat er bij zo'n geringe regenval, een grote hoeveelheid dauw neerslaat. Op sommige plaatsen, zoals in de woestijn in het zuiden (Negeb) is zelfs meer dauw dan regenwater (meer dan 200 mm per jaar).
Voor de agrarische bestaansmiddelen zijn de vlakten van het grootste belang, maar deze beslaan slechts 1/6 van het totale bodemoppervlak.
Allereerst noemen we de kustvlakte. Aangezien deze door een duinenrij van soms 5 km breedte van de zee is afgescheiden, ontstonden er grote moerassen, omdat door de duinen de natuurlijke afwatering naar zee verhinderd werd. Malaria maakte bovendien dit moerasland onveilig. Dit gebied was waardeloos en de arabisehe eigenaars verkochten deze streek graag aan de Joden. Ten koste van onnoemelijke inspanningen en opofferingen is het nu het belangrijkste landbouwgebied van Israël geworden, dank zij een voorhoede van pioniers, gedreven door een grote Zions-liefde. De graanschuur is de Einek ten z.o. van Haïfa. Wanneer men, waar men nu mee bezig is, de Huleh-moerassen ook nog droog heeft gelegd, is er weer 14.000 ha vruchtbare grond voor de landbouw gewonnen,
liet heuvelland, 36 % van het totale oppervlak, is economisch veel minder belangrijk.
De Negeb, de woestijn, omvat 45% van het hele grondgebied van Israël. Het noorden hiervan is voor cultuurgrond geschikt te maken; het zuiden heeft een totaal gebrek aan zoet water en een kale rotstbodem.
Het centrale probleem voor Israëls landbouw is dus wel de irrigatie. Men heeft nagegaan, dat een bevloeide hectare land 4 a 5 maal zoveel opbrengt als een onbevloeide. In cultuur is gebracht 400.000 ha. Hier is ± 50.000 ha van bevloeid. Er wordt echter hard aan uitbreiding gewerkt. Op sommige plaatsen, zoals bij Berseba, pompt men het water uit een bron op, die 500 m diep in de aarde zit. Bovendien heeft de Israëlische regering een fantastisch plan opgesteld, dat voorziet in een reusachtige pijpleiding vanuit de Jordaan ten noorden van Huleh naar de Negebwoestijn, om deze te kunnen bevloeien. De bronnen in de Negeb zelf bevatten n.1. allemaal zilt water.
Landbouw.
Grootgrondbezit komt vrijwel niet meer voor. Het meeste land is thans in handen van het Joods Nationaal Fonds, dat de grond verpacht voor 49 jaar. Bij het begin van de kolonisatie werden vrijwel uitsluitend granen verbouwd. Door verdere irrigatie tegenwoordig ook veel gemengd bedrijf, vooral in de nabijheid van de grote steden. Daarnaast ontstonden kleine bedrijfjes, waarop landbouw bijzaak werd. De eigenaar of pachter werkt als fabrieksarbeider in de grote stad en bedrijft landbouw, in zijn vrije tijd.
De produktievermeerdering van de laatste jaren geeft reden tot voldoening. Groenten worden zoveel verbouwd, dat het land in eigen behoeften voorziet, zelfs is conservenindustrie ontstaan, die exporteert. Naast de granen is men er toe overgegaan, gewassen voor de industrie te verbouwen, zoals suikerbieten, tabak, vlas, katoen. Volgens het ontwikkelingsplan moet Israël in 1960 niet minder dan 83.000 boerenbedrijven hebben tegen de 42.000 van nu. En dan moeten deze boerderijen in staat zijn, 2.000.000 mensen te voeden. Voorwaarde is echter uitbreiding der irrigatie en dat men daarmee op de goede weg is, blijkt wel uit de produktiecijfers: In 1951 werd 89.000 ton groente verbouwd, in 1953 liefst 142.000 ton enz.
Tuinbouw.
Voornaamste gewassen: sinaasapppelen (Jaffa's !), grapefruit en citroenen. De citrus is het belangrijkste exportartikel. Israëls economie is dus zeer afhankelijk van het welslagen van deze oogsten. Tijdens de onafhankelijkheidsoorlog hadden de boomgaarden ontzet-
tend geleden. Sinds 1948 is de produktie echter verdubbeld. Toch heeft men het niveau van 1939 nog niet weer bereikt. De staat beschikt tegenwoordig over twee in Holland gebouwde schepen: de „Taniar" en de „Rimon, " over spe-cj{e ciale koelinstallaties beschikken en het uitgevoerde fruit kunnen vervoeren. In 1953 werden 5.330.000 kisten geëxporteerd ter waarde van £ 19.669.000. Hiervan nam Engeland ruim 3.000.000 kisten af, Nederland 386.000. Hiermee staat Nederland op de tweede plaats.
Veeteelt.
De rundveestapel is de laatste japen aanzienlijk toegenomen: In 1948 — 33.890 stuks, 1953 - 67.943 stuks. Het aantal koeien moet echter nog wel verdubbelen, wil men geen melkpoeder meer invoeren. Men voert dan ook vee in en hieronder bevindt zich ook veel uitmuntend fries stamboekvee uit ons land.
Geiten werden vóór 1948 door de joodse boeren bijna niet gehouden, thans een 50.000. De melk wordt gebruikt voor de kaasfabricage.
Wegens de moeilijke voedselpositie heeft men in 1952 het aantal leggende hennen terug moeten brengen van 3.300.000 tot 2.310.000, welk aantal later nog weer verlaagd is. Het aantal eieren daalde dan ook van 322.000.000 in 1951 tot 268.700.000 in 1953.
Visserij.
Ook de ontwikkeling van de visserij beweegt zich in een stijgende lijn. Israël heeft een goede 1500 vissers met een zeevarende vloot van ruim 30 vaartuigen. Langs de Middellandse Zeekust heeft men 2 vissershavens aangelegd. Men vist op de Noordzee, Middellandse Zee en in de meren van het land zelf. De vangst bedraagt ongeveer 7.850 ton en het verbruik bedraagt 23 kg per hoofd, dus moet er veel worden ingevoerd. Om de vangsten echter zo groot mogelijk te maken, heeft men een visserijschool gesticht te Ben-Shemen met een 3-jarige opleiding.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 24 februari 1956
Daniel | 16 Pagina's