JBGG cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van JBGG te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van JBGG.

Bekijk het origineel

VRAGENBUS

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

VRAGENBUS

4 minuten leestijd

M. C. B. te R. schrijft mij „De aanleiding tot mijn schrijven is een kleine moeilijkheid betreffende de uitspraak van Agrippa tot Festus aangaande Paulus. In Handelingen 26 : 32 zegt Agrippa tot Festus: Deze mens kon losgelaten worden, indien hij zich niet op de keizer had beroepen."

De Statenvertalers geven hier weer, dat dit maar een uitvlucht was, want het beroep op de keizer kon hun niet beletten hem los te laten, maar dit zeggen zij om Paulus niet los te laten en om der Joden ondank te ontgaan.

Hoe stond het dan met het Romeinse recht in die dagen? "

Antwoord: De moeilijkheid valt weg, als u bedenkt, dat de vertaling ook kan zijn: „Deze mens had vrij kunnen zijn, als hij zich niet op de keizer had beroepen."

Als Romeins burger had hij zich op de keizer beroepen, omdat hij niet over gegeven wilde worden aan de willekeur der Joden. Paulus wilde zeggen: „Laat mij veeleer overgeleverd worden aan Nero, dan aan de Joden", waar hij wel begreep, dat Festus wel geneigd scheen hem aan dezen over te leveren.

Op grond van zijn beroep kon hij door Festus niet meer vrijgelaten worden. Hij kon echter ook niet veroordeeld worden. Zijn vijanden hadden gehoopt, dat Paulus ter dood verwezen zou worden; zijn vrienden hadden uitgezien naar zijn vrijheid. Beiden, vrienden en vijanden worden teleurgesteld.

Of Paulus nu tevreden was met hetgeen hij gedaan had, geloof ik wel. Sommigen mogen denken, dat hij er spijt van gehad heeft, dat hij gewenst had dit niet gedaan te hebben, nu hij zag, dat dit een beletsel was tegen zijn vrijlating. Zijn beroep op de keizer was wettig en wat een Romeins burger betaamde. Het zou kunnen strekken om aan zijn zaak belang en gewicht bij te zetten. En toen hij het deed, scheen het hem, zoals de zaak toen stond, het beste te wezen. Hij behoefde zich niet te kwellen met zelfverwijt, maar hij mocht er in zien Gods voorzienigheid, dat het ten laatste goed zou uitkomen. En behalve dat: hem was in een visioen gezegd, dat hij te Rome moest getuigen. Het was voor hem volkomen hetzelfde, of hij als gevangen man of als een vrije er heen zou gaan. Hij wist, dat de raad des Heeren zal bestaan, waarom hij gezegd had: „De wil des Heeren geschiede."

Mej. J. S.-V. W. te O. schrijft: „De Heere Jezus ging op de Sabbath door het gezaaide en wreef de aren tussen Zijn handen. Nu de vraag. De Heere gebiedt ons de Sabbath te heiligen en de Heere Jezus had toch kunnen maken, dat Hij Zaterdags brood had, zodat Hij Zondags niet op eten uit hoefde. Hoe moeten we dit verstaan, daar de Heere Jezus ons toch tot een voorbeeld gesteld is?

Antwoord. Op de vraag is wel enige aanmerking te maken. Waar leest U, dat de Heere Jezus aren tussen Zijn handen nam en at? Er staat wel, dat Zijn discipelen honger hadden, aren plukten en aten. Met het noemen van de Zaterdag en Zondag bedoelt U natuurlijk de Vrijdag en de Zaterdag. Maar nu ter zake. Een vraag als: „Had de Heere Jezus nu niet kunnen zorgen enz." vind ik altijd erg gevaarlijk. Zulke vragen hoort ge telkens. B.v. Had God niet kunnen zorgen, dat de mens staande was gebleven? Had God de eerste broedermoord niet kunnen verhinderen? Had God het leed Jakob niet kunnen sparen, dat hij zoveel jaren zijn Jozef moest missen, hem dood wanende? En gaat zo maar voort.

De Heere kan alles, letterlijk alles, als het maar niet in strijd is met Zijn Goddelijke wil.

Ten opzichte van de Heere Jezus moogt ge deze vraag ook niet stellen. Wat de Heere Jezus deed was goed, zoals alles wat Hij deed en nog doet „goed" is.

Wat de discipelen deden op de Sabbath was niet verboden in de Pentateuch (vijf boeken van Mozes). Daarom verdedigt Hij Zijn discipelen. Hij verdedigt hen met een voorbeeld uit de Schrift, wat hierop neerkomt: David heeft een uitdrukkelijke inzetting verbroken. Mijn discipelen hebben dat niet gedaan. Mocht nu David in de geestelijke opvatting dat het eigenlijk doel van die inzetting der broden was, de letter der wet overtreden, hoe veel te meer mogen Mijn discipelen hun honger op een wijze stillen, die nergens in de wet verboden is.

Correspondentie voor deze rubriek aan: T. MOLENAAR. Leede 18. Rotterdam-Zuid

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 6 januari 1956

Daniel | 8 Pagina's

VRAGENBUS

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 6 januari 1956

Daniel | 8 Pagina's