JBGG cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van JBGG te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van JBGG.

Bekijk het origineel

Kerkgeschiedenis

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Kerkgeschiedenis

6 minuten leestijd

Calvijns levenseinde (vervolg)

Aan het slot van ons vorig artikel wezen wij er op, dat trouwe vrienden waren heengegaan. Alleen Farel was nog in Neuchatel, maar de briefwisseling was opgehouden. Er was iets voorgevallen in het leven van Farel, dat de goedkeuring van Calvijn en de andere leraren niet kon wegdragen; waardoor hij ergernis had gegeven. Op 70-jarige leeftijd ging de man iets doen, waartegen hij zich voorheen heftig zou gekeerd hebben: hij trouwde met een jong meisje, Maria Farel, dochter van de wed. Farel, twee franse vluchtelingen, die hij in zijn woning had opgenomen.

Calvijn en zijn ambtgenoten schaamden zich zeer over deze daad van hun oude vriend. En toch drong Calvijn er bij zijn vrienden op aan, dit in herinnering te brengen, „dat hij meer dan 36 jaren lang zijn beste krachten had gegeven in de dienst van God en de opbouw van Zijn kerk; hoe ontzaglijk nuttig zijn werkzaamheid was geweest, met welke ijver hij steeds had gewerkt, ja hoeveel goeds zij van hem ondervonden hadden."

Zes jaar lang bleef het contact verbroken. Maar in het hart van Calvijn bloedde het; hij kon zijn vriend niet vergeten.

In Mei 1564 ligt Calvijn ziek; het zal sterven worden. Dan vlamt de broederliefde op en vat hij de pen (want de werkkracht schijnt onverwoestbaar) en hij schrijft d.d. 2 Mei zijn laatste brief, gericht aan — Farel: „Vaarwel mijn beste en voortreffelijke broeder; en zo God wil, dat gij mij overleeft, leef dan gedachtig aan onze vriendschap, die, zoals ze voor de kerk nuttig was, ook voor ons in de hemel vrucht zal dragen. Doe geen moeite meer voor mij; ik kan nog alleen maar rochelen en wacht er voortdurend op, dat mijn adem wordt afgesneden. Het is mij genoeg, dat ik in Christus leef en sterf, die voor de Zijnen gewin is in leven en dood. Nogmaals, vaarwel met de broeders." (bij Pr.) Farel spoedt zich ogenblikkelijk naar Genève, en nu voor 't laatst hebben zij nog eens met elkaar gesproken.

Wonderlijk. Op 27 Mei 1.564 stierf Calvijn; alzo 3 weken, nadat het briefje verzonden was.

Viret, der Dritte im Bunde uit de eerste jaren, heeft hij nog in 1563 ontmoet. Maar de briefwisseling was al een paar jaren tot stilstand gekomen. Men kan zelfs spreken van een zekere stroefheid in hun verhouding.

Het moet voor Calvijn een aangename gedachte geweest zijn, toen hij zijn einde voelde naderen, te weten, dat zijn werk zou voortgezet worden door een staf van vertrouwde medewerkers. Wij willen er slechts twee noemen, die in de Kerkgeschiedenis van die tijd zeer op de voorgrond traden: Beza, door ons voorheen reeds genoemd en Bullinger, de opvolger van Zwingli, maar die zich meer en meer bij Calvijn had aangesloten.

Zondag 2 April 1564 ging hij voor het laatst ter kerk. Hij moest er heen gedragen worden.

Beza predikte; ook werd het Heilig Avondmaal bediend. Voor 't laatst zong hij met de gemeente de Lofzang van Simeon mee.

Vóór zijn heengaan wilde hij nog zo graag een vergadering van de Raad bij wonen. Maar de raadsheren wilden het hem gemakkelijk maken en kwamen naar hem toe.

Hij sprak hen toe en dankte hen o.m., „omdat zij zijn hevige driften zo dikwijls verdragen hadden."

Ook van zijn medebroeders, de predikanten van Genéve en omgeving, nam hij een roerend afscheid. Hij hield tot hen een beroemde afscheidsrede, waarin hij wees op de vele strijd, die hij gevoerd had en die hen nog te wachten stond, „want", zei hij, „het is een hardnekkig en verkeerd volk, waarmee gij te doen hebt, ook al zijn er veel vromen onder."

Treffend zijn de volgende woorden: „Ik heb veel gebreken gehad, die ge hebt moeten verdragen; en alles wat ik gedaan heb, is in de grond van de zaak niets waard. De goddelozen zullen zich weliswaar meester maken, om het te verdraaien, maar toch herhaal ik het nog eens: alles, wat ik gedaan heb, is niets v.aard en ik ben een erbarmelijk schepsel.

Slechts dit mag ik van mij zeggen, dat ik te allen tijde het goede wilde, dat mijn gebreken mij altijd mishaagd hebben, dat de wortel van de godsvrucht, waarachtig in mijn hart was. Vergeet mij terwille van dit goede voornemen, zo smeek ik u, al het verkeerde en gebrekkige, met name mijn oplopenheid, heftigheid en neiging tot toorn; en waar gij omgekeerd iets goeds hebt waargenomen, neemt dat aan en volgt het na." (bij Pr.)

Welk een weemoed bij deze hoogbegaafde man.

1 oen hij uitgesproken was, wilde hij al de aanwezige broeders de hand drukken. Het was een ontroerend moment. De dagen, die volgden, waren dagen van gebed, Praamsma haalt de volgende woorden aan: Ps. 39 : 10. Ik zwijg Heere, ik doe mijn mond niet open, want Gij Zelf hebt het gedaan." Ook: Gemeborn secut columba" (= Ik zuchtte als een duif) Jes. 38 : 14.

Voor het laatst is hij met zijn collega's samen geweest op 19 Mei 1564.

JIct zou de volgende dag II. Avondmaal zijn en als naar gewoonte kwamen de leraren nu samen om „censura morum" te houden. Na afloop daarvan hield men een gemeenschappelijke maaltijd.

Calvijn had zeer begeerd, dat deze maaltijd te zijnen huize zou gehouden wurden.

Toen hij zich neergezet had sprak hij deze treffende woorden: „Mijne broeders, ik kom, om u voor de laatste maal te zien, want hierna zal ik niet meer aan tafel aanzitten."

Hij deed het gebed, maar de zwakte verhinderde hem, tot het einde te blijven; hij moest weer naar bed. Een week daarna, 27 Mei, kwam het einde. Beza, direct ontboden, heeft hem niet meer in het land der levenden gezien. Toen hij met haast kwam, was Calvijn de eeuwige rust ingegaan.

Zijn lichaam werd neergelegd in een eenvoudige kist. Op zijn graf mocht geen steen gelegd worden. Zo was het zijn wil geweest.

Men weet dan ook niet waar hij begraven ligt. Maar wat doet het er toe? Hij spreekt nog ten volle, nu na bijna 4 eeuwen, nadat hij gestorven is.

In de Raadsregisters van Genève kan men lezen in dato 27 Mei: „Heden om S uur des avonds ongeveer, is Jean Calvin naar God gegaan. Hem zij alle dank gebracht uit het diepst van hart."

Een maand te voren, 25 April, toen hij zijn einde voelde naderen, had hij zijn testament laten opmaken. Praamsma wijst er op, dat dit wel een heel ongebruikelijke laatste wil is geweest, omdat ze meer spreekt van geestelijk dan van stoffelijk goed!

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 9 december 1955

Daniel | 8 Pagina's

Kerkgeschiedenis

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 9 december 1955

Daniel | 8 Pagina's