VRAGENBUS
Correspondentie voor deze rubriek aan: T. MOLENAAR. Leede 18. Rotterdam-Zuid
J. v. Kr. te R. vraagt waarom Paulus in 1 Kor. 10 vers 8 een getal noemt van 23000; terwijl volgens Num. 25 vers 9 24000 hoereerders stierven.
An+woord: Dit schijnt in tegenspraak met elkander. Toch is er geen verschil. In Num. wordt het getal 24000 genoemd, omdat er door de plaag 23000 stierven en er nog 1000 bijgevoegd zijn die door de rechters om het leven zijn gebracht.
M. de A. te VI. vraagt namens de J.V. wat we moeten verstaan onder de uitdrukking: Zij (de erfzonde) is ook zelfs door de doop niet ganselijk teniet gedaan, noch geheel uitgeroeid, enz."
Antwoord: Om deze vraag goed te begrijpen is het nodig, dat ik een groot
gedeelte van het artikel even overneem. In art. 15 lezen we toch: „Wij geloven, dat door de ongehoorzaamheid van Adam de erfzonde uitgebreid is geworden over het ganse menselijke geslacht; welke is een verdorvenheid der gehele natuur en een erfelijk gebrek, waarmede de kleine kinderen zelfs besmet zijn in hunner moeders lichaam, en die in de mens allerlei zonden voortbrengt, /jjndc in hem als een wortel daarvan; en zij is daarom zo lelijk en gruwelijk voor God, dat zij genoegzaam is om het menselijk geslacht te verdoemen. Zij is ook zelfs door de doop niet ganselijk teniet gedaan, noch geheel uitgeroeid, aangezien de zonde, daaruit altijd als opwellend water uitspringt, gelijk uit een onzalige fontein."
Dit artikel handelt dus over de toegerekende en de inklevende erfzonde.
Onder de toegerekende erfzonde verstaat men de toerekening van Adams schuld aan al zijn nakomelingen, uit kracht van zijn eerste bondsbreuk en onder inklevende erfzonde, de verdorvenheid der gehele natuur, waarmede de kleine kinderen zelfs besmet zijn in hunner moeders lichaam.
Nu rijst de vraag: „Maar hoe gaat het, wanneer de kinderen gedoopt worden. Wordt de erfzonde door de doop niet weggenomen? " Rome geeft een bevestigend antwoord.
Zij zegt dat het water des Doops de zonde afwast. De Dominikanen willen, dat er in het doopwater is een werking uitoefende kracht, om de ziel een goede schikking toe te brengen, zodat ze de genade ontvangt. De Franciskanen zeggen, dat God door Zijn belofte de genade aan het doopwater zodanig verbonden heeft, dat alle gedoopten de genade met het doopwatfer ontvangen en allen, die niet gedoopt worden van de genade verstoken blijven.
Wij verwerpen deze • dwaling op grond van het volgende:
le. Het doopwater is lichamelijk, levenen redeloos en daarom kan het de genade, die geestelijk, levendig en redelijk is, in de redelijke ziel van de mens niet werken.
2e. De genade is niet gebonden aan het doopwater, want anders moesten alle gedoopten zalig worden en al de ongedoopten noodwendig verloren gaan. 3e. Gods Woord schrijft duidelijk de afwassing der zonden alleen aan Jezus' bloed en Geest toe.
Maar waarom zegt onze geloofsbelijdenis dan, dat de waarheid ook door de doop niet ganselijk teniet gedaan, noch geheel uitgeroeid wordt? Had niet moeten staan, zoals het in het oorspronkelijk artikel, volgens Gravemeijer, stond: „dat de erfzonde ook door de doop niet teniet gedaan, noch uitgeroeid wordt? De woorden „ganselijk" en „geheel' waren oorspronkelijk eruit gelaten, maar later ingevoegd en de Dordtse Synode van 1618—1619 heeft de redactie! goedgekeurd.
Om de juiste zin te begrijpen is de volgende opmerking nog nodig. Bij het opstellen van onze belijdenisgeschriften hebben onze vaderen altijd gelet op het wezen van de zaak, of liever ze gingen uit van het wezen. Dat kunt ge ook merken, wanneer ze een definitie gaven van de „Kerk". Voor hen dus, voor wie de doop van zaligmakende betekenis is, is de erfzonde niet ganselijk teniet gedaan noch geheel uitgeroeid. Er is immers verschil ten opzichte van de erfzonde tussen de wedergeborenen en tussen de onwedergeborenen. De erfzonde in een kind des Heeren, ligt daar maar in haar overblijfselen, maar in een goddeloze in haar volle kracht. De laatste is een slaaf der zonde, de eerste is vrij gemaakt van de dienstbaarheid der zonde. Een kind van God haat de zonde als zonde, kwaad ziende in de zonde, als strijdend tegen Gods allerheiligste natuur. Een kind van God, door de inklevende verdorvenheid weggerukt zijnde tot enige zonde, is daar met smart en leedwezen over vervuld, maar hoe geheel anders gedraagt zich een onwedergeborene onder zijn verdorvenheid. Hij drinkt de zonde in als water en spuwt die wederom uit over de loop van zijn leven als een gedurige stroom, zonder zich daarover te bekommeren. Eindelijk brengt het gevoel van de erfzonde Gods kinderen tot zelfvernedering, lijdzaamheid en geduld.
Ik heb getracht deze moeilijke vraag zo duidelijk mogelijk te beantwoorden en U daarmee te bevredigen.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 14 oktober 1955
Daniel | 8 Pagina's