DE WERKEN GODS
3.
Engelen, gedienstige geesten!
In het eerste Bijbelwoord m, aakt de Schrift reeds melding van de schepping van hemel en aarde. Maar daarna zwijgt ze verder over wat met de hemel in verband staat en besteedt ze al de volgende verzen aan wat er met de aarde geschied is.
Dat behoeft ons allerminst te verwonderen! Immers, de aarde is het middelpunt van het heelal. Op de aarde en nergens elders, wilde God Zijn beelddrager doen wonen. En de hemel met zijn engelen is er om de aarde te dienen, d.w.z. om de mens, Gods onderkoning, te eren en van dienst te zijn om des Heeren wil.
En behalve dat, de Bijbel is niet aan de engelen, maar aan de mensen gegeven; hij bevat de openbaring van de weg des heils aan de mens; en daarom ligt het voor de hand, dat alleen die zaken in de Bijbel genoemd en omschreven worden, die met de afkomst en bestemming van de mens in betrekking staan. En zodoende is er slechts een sobere vermelding van de schepping van de hemel met zijn bewoners, en een uitgebreide omschrijving van de totstandkoming van de aarde met haar bewoners. De Geest Gods deed Mozes de geschiedenis der schepping voor de mensen schrijven, die op de aarde zijn, en voor deze is de aarde, zolang zij hier wonen, het belangrijkst; de ver verwijderde engelenhemel en sterrenhemel gaan hun minder aan, behalve voor zover zij in betrekking tot de aarde staan. Toch wil dit geenszins zeggen, dat de aardbewoners niets met de engelenhemel te maken zouden hebben. Er is tussen hemel en aarde verband, gemeenschapsoefening, relatie, zelfs na de zondeval. De Heilige Schrift moge sober zijn in de mededelingen, betreffende de hemel, en vooral sober waar het de engelen betreft, geheel er van zwijgen doet de Schrift toch niet, en wat zij er van zegt, moge ook hier een plaats vinden.
Dat er engelen zijn, leert de Schrift ons met de meeste stelligheid. Buiten haar om zouden wij van de engelen niets weten. De Profeten, Christus zelf en na Hem de Apostelen getuigen herhaaldelijk van het bestaan der engelen. En niet weinigen van Gods kinderen hebben een ontmoeting met engelen gehad; het Oude Testament noemt daaromtrent vele voorbeelden.
Wat de engelen zijn, weten wij ook. Naar luid van Hebr. 1 : 14 zijn zij „gedienstige geesten, die tot dienst uitgezonden worden, dergenen, die de zaligheid beërven zullen". Ze zijn dus geesten, d.w.z. wezens, die met verstand en wil begaafd zijn, maar niet een stoffelijk lichaam bezitten, en derhalve ook niet kennen het verband en de onderscheiding tussen lichaam en ziel. Wel hebben de vromen van de oude dag engelen ontmoet in mensengestalten, maar dan waren hun lichamen slechts schijnlichamen, tijdelijk aangenomen, maar niet behorend tot hun natuur. En ook al hadden zij lichamen van vlees en bloed, zodat zij zelfs eten, drinken, lopen, rusten, enz. konden, dan was dit toch maar tijdelijk en plaatselijk, en alleen hun van Godswege gegeven om zich aldus met mensen te kunnen onderhouden.
Ze zijn gedienstige geesten, geroepen niet tot een geringe, maar tot een hoge en gewichtige taak, n.1. om dienaren Gods te zijn, te behoren tot Zijn hemelse hofhouding. Zij dienen God-Drieënig in de hemel; zij dienen in het bijzonder ook Christus, aan Wie, door Zijn Middelaarswerk, de engelen en machten en krachten onderdanig gemaakt zijn. Zij dienen God door aanbidding; zoals Jesaja in het visioen, dat hij in hoofdstuk 6 van zijn profetie mededeelt, gezien heeft; en zoals Johannes op Patmos ze aanschouwd heeft toen hem meermalen een blik in de geopende hemel vergund werd. Openb. 5 : 11 en 7 : 11.
Zij dienen God ook door het verrichten van bijzonder dienstwerk op aarde. En dat dit geen gering deel van hun taak is, blijkt wel uit hun naam. De naam „Engel" immers betekent: „uitgezondene" of „gezant". Neen, zij dienen niet de mensen op aarde, maar zij dienen God in de dienst, die zij mensen moeten bewijzen. Hun dienst is altijd ten nutte van Gods volk, indien niet onmiddellijk, dan toch in de bedoeling en uitwerking. Deze beschouwing van het werk der engelen loopt door de ganse Heilige Schrift, en daaruit blijkt hun nauwe betrekking tot het genadewerk Gods in de mensheid. Zij leven als het ware met de redding der zondaren mede. Zij zijn begerig in te zien in de verborgene dingen des heils; waarvan hun slechts een stukske is geopenbaard; zij delen in de blijdschap, die er is over de bekering van één zondaar. Ze tintelen van hemelvreugd, als ze in Efratha's veld, in Jozefs hof en op de Olijfberg het Verlossingswerk mogen prijzen.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 30 september 1955
Daniel | 8 Pagina's