EEN HEILZAME HOOP
Israël hope op cle Ileere want hij de Heere is goedertoerenheid en hij Hem is veel verlossing. (Psalm 130 : 7)
Deze psalm is één van de vijftien liederen, welke genaamd worden liederen der optochten of liederen der trappen. Men zegt dat ze gezongen werden wanneer Israël opging naar de Tempel of dat de Levieten en Priesters ze gewoon waren te zingen op de trap die naar de een of andere verhevenheid voerde.
Deze psalm is een hartgrondig gebed van een ziel die zeer beroerd was vanwege zijn zonden en schuld, nochtans vertrouwende op de Heere, die ze hem vergeven zal. Hij riep uit de diepte tot de Heere en dan zal ook bewaarheid worden: Deze ellendige riep en de Heere hoorde hem. Nooit heeft des Heeren volk tevergeefs zijn stem tot God verheven.
Waar ze dan, uit cle ware diepte opkomen w!ordt ingeleefd cle ware oprechtheid voor God en mens. Hoevelen die wel een klacht naar voren brengen maar helaas cle ware schuld niet inleven. Weer anderen die zitten niet in de diepte maar op de hoogte. Zij doen wel alsof ze ook nog iets van die ware Godzaligheid betrachten, en men zou zeggen, ze leven nog al dicht bij de Heere. Maar gaan wij hun gangen na, clan wordt het toch bewaarheid, dat ze van dat arme leven niets moeten hebben al praten ze erover.
Hoe wordt vaak openbaar dat ze in hun hart degene die nog enigszins een aangebonden leven hebben aan de troon der genade, gaan schuwen en het blvijen hun vrienden niet. Het ellendig en arme volk, dat op cle Heere wacht en op Zijn Naam vertrouwt, daar hoort men één en dezelfde taal.
Nu zegt cle auteur van deze tekst: „Israël hope op cle Heere". Wat een bemoediging voor dat volk. Hij spreekt hen toe: „Gelijk ik op cle Heere wachtende, hulp "en veriossing verkregen heb, zo doe ook Israël". Dat is cle kerk Gods en alle godzaligen in het bijzonder.
Hoe wordt nu op de Heere gewezen. Hij is Israëls God. Laat dan Israël ook op cle Heere hopen, niet op koningen of prinsen noch op vrienden noch op rijkdom en wat dies meer zij, neen op God moeten zij hun hope stellen. Hij is een God, groot van weldadigheid en waarheid, en die op Ilem vertrouwen zullen niet beschaamd worden. Dat wordt hier door des Heeren volk toch ingeleefd, en waar ze dan in tegenheden en smarten verwaardigd mogen worden 0111 op God te hopen zijn ze er toch nog gelukkig mee, want de oefeningen Gods worden in de diepte ingeleefd.
E11 waar cle Heere zich dan openbaart in Zijn gunst en liefde, dan worden ze gewaar, wat ze in tijden van nood aan hun God en Christus hebben, en wordt ingeleefd: in cle Heere hun God is Israëls heil. Want bij cle Heere is goedertierenheid. Och de vertroosting is niet gelegen bij cle mens, maar alleen bij God. Des Heeren volk moet leren afzien van zichzelf en van de mensen om hun oog op God te mogen vestigen.
Daar is goedertierenheid. Deze goedertierenheid zegt niet alleen dat God in Zich heeft een volheid van alles welke 's mensen reine en redelijke begeerten verzadigen kan maar ook is er in God een genegenheid om Zijn volk Zijn weldaden te schenken, zodat cle goedertierenheden van eeuwigheid tot eeuwigheid zijn over degenen die Hem vrezen.
Dat mag cle kerk op aarde wel eens inleven en dat sterkt meer clan cle uit^ezochtstc spijze. Dan mogen zij weieens met verwondering uitroepen: „Hoe dierbaar is Uwe goedertierenheid dat cle mensenkinderen toevlucht nemen onder de schaduw Uwer vleugelen." Hij is machtig om te schenken genade voor genade, want bij Hem is vele verlossing. Hoe wordt alleen op cle Heere gewezen. De verlossing, welke eigenlijk cle dadelijke bevrijding te kennen geeft, wordt gezegd bij God te zijn dus niet bij cle mens.
Hij kan Gode zijn rantsoen niet geven. De verlossing is veel of men kan ook spreken van groot. Groot ten aanzien van het dierbare rantsoen waardoor ze verworven is, en veel ten aanzien van de vele noden waartoe ze zich uitstrekt. Deze verlossing is niet alleen een lichamelijke maar er wordt ook gezinspeeld op cle zielsverlossing.
Zeker lezers, cle Heere heeft Israël menigmaal gered uit angsten en benauwdheden. Voor het natuurlijke mochten ze ook Hem hun redder noemen.
Maar daar moet een andere verlossing plaatsgrijpen want cle mens zit gevangen in cle banden en boeien der hel en des doods, gevangen in de macht van de satan. En wie zal hem daarvan ver-
De machtige God van de blanke
Welke overvloedige verlossing wordt hier voor gesteld, maar voor wie? Wel voor een volk, dat zulk een verlossing nodig heeft, een volk dat dc banden des doods heeft leren inleven, ja iets van die duisternis waar ze in zaten, ja zulk een ziel ziet uit naar verlossing.
Hoe merken wij hier nu op dat degenen die nu menigmaal als moedelozen over de wereld gaan, ja mismoedig daar neder zitten en het ongeloof hen overvalt, ja dat er een verlossing is voor allo ongerechtigheden.
Die verlossing is een daad des Heeren. Is bij Hem vele verlossing dan ligt de grondslag in de liefde des Vaders, die deze verlossing heeft uitgedacht en in de liefde des Zoons die deze verlossing teweeg gebracht en de prijs der verlossing was Zijn bloed.
Waar Christus betaalde is de gerechtigheid Gods volkomen genoeg gedaan want die prijs, dat rantsoen, was bij de Vader aangenaam en zo heeft Christus met één offerande volmaakt degenen die geheiligd worden.
Elke zonde, ja alle overtredingen worden door de verlossing van Christus in waarheid voor eeuwig weggenomen. Waar Christus als Borg en Middelaar voor hen gestorven is, dan kunnen ze niet sterven, n.1. de eeuwige dood ondergaan. «
Neem de schuld weg, dan is er toch geen straf meer te wachten, zo is er geen verdoemenis voor degenen die in Christus Jezus zijn. Och dat des Heeren volk bij de aanvang of voortgang door de leiding des Geestes daar'veel het oog op gevestigd mocht hebben. Ik weet hoe menigmaal ze zien op hun zonden en onwaardigheid voor God. Maar dat gij nu ook eens zien mocht op die vele verlossing. Van de andere zijde wordt deze wereld niet gelijkvormig. Laat de zonde u tot een afkeer zijn, want is er vele verlossing, denk er aan dat het Christus veel benauwdheden en angsten der hel heeft gekost.
Dat het u niet moge gaan als Jesehurun, hij sloeg achteruit en dan wordt het nog steeds gevaarlijker als men zich vrij pleit en zegt: „Ja maar wij mogen ook wel eens iets hebben.".
Wij geloven dat als we in de nabijheid Gods mogen verkeren we aan God genoeg hebben. Daar wordt de weg des Heeren overdacht en mag zich Gods volk verlustigen in Hem die de verlossing heeft teweeg gebracht.
Er wordt hier al reeds van de verlossing gezongen en ze zullen het straks stoorloos doen in alle eeuwigheid.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 16 september 1955
Daniel | 8 Pagina's