VRAGENBUS
Correspondentie voor deze rubriek aan : T. MOLENAAR. Leede 18. Rotterdam-Zuid
A. K. te P. schrijft mij het volgende „In Samuël 2 : 22 lezen we, dat de zonen van Eli sliepen bij de vrouwen, die met hopen samenkwamen aan de deur eler tent der samenkomst. Dat dit een goddeloos en godonterend gedoe was staat boven alle twijfel. Het gebeurt dan ook in een tijd, dat Israël op weinig hoger geestelijk niveau stond, dan hun naburige volken. Maar bij het Bijbellezen aan tafel trof mij een soortgelijke mededeling in Exodus 38 : 8. Toen stond Israël aan het begin van zijn geschiedenis.
Was dit algemeen Oosters verschijnsel toen al doorgedrongen bij Israël? Moeten we b.v. Deut. 23 : 17 daarom ook zien in de eerste plaats als een Goddelijke veroordeling van de gewijde prostitutie of meer als waarschuwing, dat wat de heidenen deden, zij zich daarvan te onthouden hadden? Of misschien beide?
Israël blijkt in de loop der historie ten minste niet immuum te zijn geweest voor falsificatie van de enige ware God en Zijn dienst.
Mag ik hierover nog horen?
Antwoord: Natuurlijk mag je daarover iets horen. Aan de hand van de onmisbare commentaren wil ik er iets van zeggen.
In Exodus lezen we: Hij maakte ook het koperen wasvat met zijn koperen «voet, van de spiegels der te hoop komende vrouwen, die te hoop kwamen voor de deur der samenkomst. Wie waren die vrouwen? Dat waren dienstdoende vrouwen, die dienst deden bij de ingang van de tent der samenkomst. Dergelijke vrouwen worden later (1 Sam. 2 : 22) eveneens genoemd; hun dienst bestond niet in uitwendige hulp bij de godsdienst, als het wassen der heilige gereedschappen enz., maar in vrome verrichtingen, in gebed en vasten. Hier verbonden zij zich uit vrije wil, deels voor een bepaalde tijd, deels, voornamelijk door weduwen en maagden, voor het gehele leven.
Het is goed, dat u verband ziet tussen Ex. 38 : 8 en 1 Sam. 2 : 22, maar bedenk dan, dat toen Israël aan het begin stond van zijn geschiedenis zulke dingen, genoemd in 1 Sam. 2 : 22 niet voorkwamen. In de dagen van Eli was het volk van Israël zover weggezonken, dat de zonde door de voorgangers van Israël in cle meest brutale zin des woords werden gedaan. Zij verleidden de vrouwen, die ter Godsverering aan de deur van de tabernakel kwamen, terwijl ze zelf vrouwen hadden. Het was zulk een verfoeielijke goddeloosheid, dat men het nauwelijks mogelijk acht, dat mannen, die zich priesters noemden, er zich schuldig aan konden maken. Geen woorden kunnen de eerloosheid uitdrukken van zulke handelingen.
U noemt ook Deut. 23 : 17. Aangezien het hart des mensen verdorven is van zijn jeugd af aan, behoefde dat verbod toch niet gegeven te worden, omdat het algemeen Oosters verschijnsel doorgedrongen zou zijn bij Israël. Hoewel misschien bekend bij de volkeren der wereld, heeft de Heere, Die een heilig Goel is en met de zonde geen gemeenschap kan hebben, deze zonde van gewijde prostitutie met klem verboden.
Zij zijn bovendien Israëlieten. Het is slecht in ieder, maar het is het slechtst in hen, die naar Gods Naam zijn genoemd. Israël moet zijn een heilig volk. En nu het laatste. Laat ik eerst zeggen wat de vraag of liever de opmerking bedoelt. Immuun betekent „niet vatbaar voor." Falsificatie is hetzelfde als „vervalsing".
Het komt dus daarop neer volgens vrager, dat Israël vatbaar is geweest voor vervalsing van de enige ware God en Zijn dienst. Nu daar behoeft weinig van gezegd te worden, want de geschiedenis heeft wel geleerd, dat het Israël van de Oude Dag een afhoererend volk was, waar de Heere, menselijk gesproken, veel verdriet van gehad heeft. De behoudenis van het volk Israël ligt dan ook alleen in de trouw Gods.
„Ik de Heere worde niet veranderd, daarom zijt ge o kinderen Israëls niet verteerd." Dat geldt niet alleen van de Oud-Testamentische kerk, maar ook van de Nieuw-Testamentische kerk. Aangezien we tot alle kwaad geneigd zijn, moge we wel vrezen voor ons zelf. De bede van de dichter legge de Heere in ons aller hart:
„Doe mij op 't pad van Uw Schraag op dat spoor mijn [kelende geboden [treen, wangangen."
A. K. te P. schrijft: „Kohlbrugge deed aan de Heiligmaking niet ten volle recht, doordat hij de Rechtvaardigmaking voor alles primair stelde. Is dit niet een afwijking van de Reformatorische lijn? Is daarom geen voorzichtigheid aan te bevelen bij het lezen van zijn werken?
Antwoord: Kohlbrugge was een uitnemend leraar in de kerke Christi, één dier weinige mannen met wie de Heere in Zijn kerk iets bijzonders voor heeft en die, met nog zeer enkelen, door bange strijd en rijke geestelijke ervaring in de waarheid van Gods Woord ingeleid, door alle leraren uit zijn tijd (1803— 1875) schier alleen stond, als een getrouw prediker der gerechtigheid.
Niettemin was Kohlbrugge een feilbaar mens, die inzonderheid in woorden struikelen kon en ook gestruikeld heeft. Ilij was ook een beperkt mens, die lang niet al de stukken der waarheid even rijk en vol uitwerkte. In benarde zielsworsteling tegen de valse toestanden dier dagen boog hij soms verder over, dan de juiste grens gedoogde. Er is zelfs een korte periode van zijn leven geweest, dat hij verbitterd was en hartstocht in zijn woord vlamde. Maar van wie geldt dit niet? Wie zal een steen werpen op de nagedachtenis van deze trouwe dienstknecht des Heeren? Dr. Kohlbrugge was geen boekengeleerde; maar een geestelijke worstelaar, die de ontzaglijkheden des levens zelf doorleefde, en zelf als een brandhout uit het vuur was gerukt.
Na Luther is de strijd om de gerechtigheid voor God door weinigen onder de leraars zo diep en zo veelzijdig gegrepen als door hem. De macht zijner persoonlijkheid, de vurige taal clie van zijn lippen stroomde, de rijkdom van zijn schitterend talent, ja geheel zijn verschijning schonk hem daarbij dat echt patriarchale, waardoor hij in heel de kring zijner aanhangers als een aartsvader onder zijn geslachten was.
Niettemin had hij enkele afwijkingen. Hij leerde: „Het beeld Gods is het element, waarin Adam leefde, de stand, waarin hij door God geplaatst werd. Door de zonde verloor de mens dat heilig element en werd geheel en al vlees. Christus heeft datzelfde zondige vlees aangenomen. Het zwaartepunt van zijn voldoeningsleer lag daarin, dat Christus zich, in weerwil van alle verzoeking en bestrijding, door zijn geloof tot het einde toe handhaafde in de stand, die Hij als Zone Gods bezat.
Rechtvaardigmaking en Heiligmaking onderscheidde hij niet duidelijk, omdat hij de Heiligmaking opvatte als een overgezet worden op het gebied der genade, in het element der heerlijkheid Gods.
Voorzichtigheid is dus aangeraden bij liet lezen van zijn werken, hoewel er genoeg preken van hem in het licht zijn verschenen, waarin de afwijkingen niet te bespeuren zijn.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 2 september 1955
Daniel | 8 Pagina's