De staat Israël
DE ARABIEREN.
We hebben nu de grote bevolkingsgroep der Joden in de staat Israël behandeld. Een andere groep vormen de Arabieren, 120.000 in 1953. Sedert dien zijn velen van hen gevlucht naar Transjordanië.
Daar de Staat Israël geheel omringd wordt door Arabieren, spreekt het vanzelf, dat we die groep thans gaan bespreken.
Naar onze begrippen stammen de Arabieren af van Ismaël. Arabische genealogen beweren echter, dat alleen de Noord-Arabieren daarvan afstammen, terwijl de Zuid-Arabieren voortgekomen zijn uit Joktan, die voorkomt in Gen. 10 : 25: En Ileber werden twee zonen geboren; des enen naam was Peleg; want in zijn dagen is de aarde verdeeld; en zijns broeders naam was Joktan." In ieder geval zijn Joden en Arabieren broedervolkeren.
Nu vormen de Arabieren een zeer gemengde bevolking en het is niet eenvoudig een antwoord te geven op de vraag: Wat zijn Arabieren. H. A. R. Gibb geeft dit antwoord: „Arabieren zijn zij, voor wie het centrale feit in de geschiedenis de prediking van Mohammed is, alsmede de herinnering aan het Arabische imperium, de culturele erfenis daarvan als een gemeenschappelijk bezit hebben en de Arabische taal spreken." Vooral het laatste is zeer belangrijk, het is juist de taal, die de Arabieren in Palestina bijeenhoudt en niet zozeer de godsdienst, aangezien onder hen ook Christenen zijn.
Het woord Arabier hangt samen met het woord „araba = woestijn. Een Arabier is eigenlijk een woestijnbewoner. Dit gaat tegenwoordig niet helemaal meer op. We-onderscheiden ze liever in 3 groepen, die we achtereenvolgens willen bespreken, n.1.
1 De Bedoeïenen = de zwervende „zonen der woestijn".
2 De Fellah = de landbouwer met vaste woonplaats.
3 De Medini = de stadsbewoner.
I DE BEDOEÏENEN.
De echte Bedoeïenen zijn de zwervers der woestijn, (woestijn in de ruimste betekenis) Het zijn de bezitters van de kameelkudden: zonder de kameel zou het leven voor hen onmogelk zijn. Dit dier verlangt van de mens niets; het vindt zijn voedsel in de woestijnkruiden en kan vrij lang zonder water. Als het in de regentijd zich te goed doet aan frisse zoutloze planten, behoeft het gedurende 20 a 30 dagen geen water meer en dan kunnen de afgelegen weideplaatsen in de woestijn opgezocht worden. In de droge tijd moeten ze om de 5 dagen drinken. Ilij levert daarvoor melk en vlees als voedsel, haar en huid voor het maken van kleding en gebruiksvoorwerpen; hij draagt de mens en de last en levert bovendien door de mest brandstof.
Gedurende de zomer slaan de Bedoeïenen de tenten op aan de randen der woestijn, waar zij het dan de fellah's geducht lastig kunnen maken. Want die leven daar van wat landbouw en ze fokken geiten. De Bedoeïen neemt de vruchtbaarste akkers en in de oogsttijd verschijnt hij met zijn kamelen op de dorsvloer en neemt zijn deel en wee de fellah, die weigert. Zelfs de regering kan hier weinig tegen uitrichten, want naderen er troepen, dan verdwijnt hij met zijn kamelen de woestijn in, waar de soldaten hem zeer moeilijk kunnen volgen.
Ja, in de woestijn voelt de Bedoeïen zich thuis. Zeer groot is daar zijn plaatszin. Aan de voetafdrukken in het zand ziet hij, of leden van de eigen stam zijn gepasseerd clan wel vreemdelingen. Zo kan men hem, op zijn kameel gezeten, horen mompelen: „Ah, drie dagen geleden is hier een kudde gazellen langs gekomen, " of: „Kijk een aan! De karavaan van Ibn Khalid moet een dag of vier geleden hier. langs zijn gekomen met 12 kamelen en 5 mannen. Drie kamelen droegen enige last, twee dadels en de derde rijst en de mooie witte, die hij een jaar geleden heeft gekocht, loopt kreupel." Elke wadi, weide of terreinhoogte geven ze een naam.
Hij minacht het handwerk en de landbouw is iets minderwaardigs in zijn ogen. Handel, jacht, roof, maar speciaal
veeteelt vormen zijn bestaansmiddelen. Hoofdvoedsel is de dikke, voedzame, doch niet lekker ruikende kamelenmelk. Daaruit worden ook pittige, steenharde, kleine kaasjes bereid, dikwijls vol haar. Vlees wordt alleen gegeten bij feestelijke gelegenheden of tengevolge van een noodslachting. Wel zijn dadels zeer geliefd, terwijl zout in hoog aanzien staat. Wie als gast in een tent zout heeft gegeten, staat onder de bijzondere bescherming van de gastheer. Dit artikel zal ook nooit geroofd of gestolen worden en de zouthandelaar mag men zelfs niet aanraken.
Zijn kleding bestaat uit een lendedoek, waaroverheen een hemd wordt geworpen, dat tot aan de enkels reikt, om het middel ingesnoerd door een gordel. Daaroverheen draagt hij een oude, vieze mantel, terwijl het hoofd wordt gedekt door een tot een driehoek gevouwen doek, die door een snoer van in elkaar gedraaide bokkenharen op zijn plaats wordt gehouden en waarvan de punt op de rug afhangt en daardoor hals en achterhoofd beschermt tegen de felle zonnestralen.
Een geliefkoosde bezigheid vormen de rooftochten en onderlinge gevechten tussen de verschillende stammen, waarbij het gaat om, met het vergieten van zo weinig mogelijk bloed, in het bezit te komen van andermans kamelen en dikwijls ook van vrouwen en kinderen. Tot gemeenschappelijke actie komt men daardoor maar zelden. Als gevolg daarvan is de Pan-Arabische gedachte voor de Bedoeïenen vreemd en deze gedachte leeft alleen onder de intellectuelen. Van een eigen politiek is dan ook geen sprake.
Echte Bedoeïenen heeft Israël zo goed als niet. In de oudheid was dat ook al zo. Immers de patriarchen waren eigenlijk half nomaden, die naast veeteelt en het wonen in tenten ook landbouw uitoefenden. „En Izak zaaide in dat land en hij vond in dat jaar honderd maten; want de Ileere zegende hem." (Gen. 26 : 12). „En ziet, wij waren schoven bindende in het veld enz. (Gen. 37 : 7.) en in hetzelfde hoofdstuk weidden de broers van Jozef de kudden bij Dothan. Er komen ook thans nog vrijwel uitsluitend half Bedoeïenen voor, maar hun getal wordt steeds kleiner. In 1922 waren er 103.000 in Palestina, in 1931 nog 60.000. Achteruitgang dus door toenemende landbouw en stelselmatige ontginning, waardoor hun terreinen steeds kleiner worden. De Westerse cultuur vindt steeds meer ingang: e jongeman geeft aan zijn verloofde eau-de-cologne en parfum, men ziet ze al lopen in overhemd en colbert, stenen huizen maken meer en meer plaats voor tenten, lucifers en ijzeren ledikanten hebben hun intrede gedaan, de kinderen worden al naar school gezonden en bij ziekte wordt de dokter uit het naburige dorp geraadpleegd. In Galilea leven nog slechts enkele stammen, die in het halfnomadische leven nog in hoofdzaak rondtrekkende herders blijven, en verder nog in de kustvlakte; in de woestijn van Juda en in het zuiden in de Negeb. liet gezag van de Bedoeïenenstam berust bij de sjeich. Hij ontleent zijn macht aan zijn persoonlijkheid en aan het aanzien van zijn familie. De waardigheid is erfelijk, als tenminste zijn zoon of zonen geschikt zijn, anders wordt een ander familielid benoemd. Hij heeft geen bijzonder kenteken en moet leven van zijn eigen inkomsten. Zijn taak bestaat in het handhaven van rechten en instellingen. Nu er orde en veiligheid in Israël gaan heersen, wordt zijn macht als rechter zeer verzwakt.
Daardoor heeft hij nu alleen nog het aanzien der traditie, want de feitelijke macht over de stammen berust bij cle moektar, clie door cle regering wordt benoemd en optreedt als tussenpersoon tussen cle stam en het gouvernement. Deze gezagsoefening van cle regering leidde er toe, dat er een einde kwam aan hun geliefde rooftochten en velen werden landarbeiders in cle Joodse koloniën, maar talrijke dingen herinneren in hun gewoonten nog aan het oude verleden.
Naar hun godsdienst heten ze Mohammedanen of Christenen, maar in werkelijkheid zijn ze grotendeels heidenen, clie het graf aanbidden van een heilige, wiens begraafplaats in de nabijheid ligt, meestal omringd door een rond muurtje. De onmiddellijke omgeving is zo in eer, dat men daar veilig iets kan plaatsen zonder vrees voor diefstal.
We hebben dus wel begrepen, dat de echte Bedoeïenen in Israël niet meer voorkomen. Alleen hier en daar nog halfnomaden.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 22 juli 1955
Daniel | 8 Pagina's