Wonderlijke leiding naar het doel „Vader Emde" naar Soerabaja
Toen we het hadden over de geschiedenis van zendeling Riedel („Daniël" 8ste jaargang, blz. 141), werd terloops een zekere Emde genoemd, de man, die zijn huis openzette voor de zendelingen en de logeerkamertjes „profetenkamertjes" noemde. Bij de zendelingen stond deze Emde bekend onder de naam van „vader Emde".
De geschiedenis van Emde is zo interessant, dat ze hier in het kort een plaatsje verdient. Uit die geschiedenis blijkt ook, dat de Heere zich bedienen wil door geringe middelen. Men kan Emde beschouwen als een „behulpsel", waarover de apostel Paulus schrijft.
In de staat Waldeck, in Duitsland, werd Johannes Emde geboren in een groot gezin. Zijn vader was molenaar en Johan moest al vroeg zijn vader helpen. Op 17-jarige leeftijd verliet hij het ouderlijk huis om zijn eigen kost te verdienen. In verscheidene staten van Duitsland was hij werkzaam als molenaarsknecht, maar keerde tenslotte toch weer naar de ouderlijke woning terug. Hier vernam hij, dat zijn jongere broer een handelsbetrekking in Nederland had gekregen. johannes besloot zijn broer te gaan bezoeken en ook in Nederland werk te vinden. Aan de grens gekomen, kwam hij tot de ontdekking, dat zijn pas niet in orde was. Toch kwam hij in ons land. Er werd iets op gevonden: een Nederlandse postbode nam Johannes tijdelijk aan als „bediende", en zo kwam de jeugdige Emde in Nederland.
Tevergeefs zag hij uit naar zijn broer en verhuurde zich als molenaarsknecht. Van matrozen vernam hij wonderlijke verhalen over verre landen. Die landen zou hij ook kunnen bezoeken, als hij zich als matroos liet aanmonsteren. Dat er een land was, waar het nooit winter werd, kon Emde moeilijk geloven. Dat zou hij eerst met eigen ogen moeten aanschouwen, wou hij dit aannemen. Het kón eenvoudig niet, want zijn meester had hem geleerd, dat zomer en winter nooit zouden ophouden. En die meester wist het. Wat had Johannes daar een eerbied voor gehad en nog. Ja, zelfs toen hij al een man van zeventig was, en het over zijn vroegere leermeester had, tikte hij uit eerbied aan zijn pet!
Het aanbod om naar Indië te gaan was erg aanlokkelijk: hij kreeg 90 gulden handgeld en hij kwam dan ineens in het vreemde land. Na een jaar zou hij weer terug kunnen zijn in zijn oude woonplaats.
Emde kwam in Batavia, hij zag koffie en suiker groeien en.... wachtte op een winter, die niet kwam. 't Was dan toch waar!
In Batavia had men groot gebrek aan Hollanders om dienst te nemen op schoeners, die de handelsschepen moesten beschermen tegen piraten. Johannes liep in Batavia werkloos rond en nu dwong men hem om op zo'n schoener te gaan. Maar daar kwam niets van in: Emde weigerde. Dit hielp de jonge man bitter weinig, want men pakte hem eenvoudig op en bracht hem op het oorlogsscheepje, dat naar de zeeën ten zuiden van Borneo vertrok. Dat was anders dan naar het vaderland binnen het jaar terug. Wel zes jaren moest Emde op de schoener de zee doorkruisen, in gezelschap van Dajakkers en Europeanen. Met die laatste kon hij het niet goed vinden. Ze waren ruw, vloekten en scholden en leefden als beesten. Inplaats van te vloeken, zocht Johannes in moeilijke ogenblikken zijn kajuit op om te bidden. Toen werd hij als „vrome" en „fijne" uitgescholden. Daar gaf Emde echter weinig om. Hij werd niet boos, maar waarschuwde zijn goddeloze makkers en getuigde van God, die over de zonden toornt.
„Onder dat ruwe volk, " vertelde hij later, „heb ik bidden geleerd. Ze hebben mij de wereld uit en de hemel in gescholden."
Op zekere dag had de schoener de resident van Bandjirmasin aan boord. De reis was naar Tabenio. 's Nachts werd uitgevaren en de andere morgen kwam men in de buurt van het einddoel. Het was laag water en mistig, zodat niet gemeerd kon worden. Het anker werd uitgeworpen en men wachtte rustig af wat er verder zou gebeuren. Maar wat geschiedt er? Op het strand liggen wel vijftig prauwen, bemand met honderden zeerovers, die zich gereed maken om een aanval te doen op de schoener. Terstond wordt het anker gelicht, de zeilen gehesen, maar er is geen vooruitgang te bespeuren, want liet is bladstil. Snel naderen de rovers, krachtig roeiend, het oorlogsscheepje. Wat te doen? De rovers zijn te dichtbij om de kanonnen met vrucht te gebruiken. De toestand is hachelijk. Maar zie, er is een bidder aan boord van het oorlogsschip. Het is Einde. Hij roept tot God. En onder het bidden grijpt hij moed. De resident geeft het bevel om de schoener in de lucht te laten vliegen. Liever de dood in, dan in handen van de wilden te komen. „Niet doen!" roept Emde, „daar hebben we altijd de gelegenheid nog voor. Mannen, grijpt de geweren!" Een salvo breekt los. Vele rovers vallen, maar ook op de schoener zijn gewonden en doden. Hoe zal het aflopen? Rustig geeft Emde zijn bevelen en ziet, dat verschillende prauwen nader komen. Zullen ze dan toch nog het schip bemachtigen, en zal de schoener straks met man en muis in splinters moeten vliegen?
Ineens.... een felle rukwind! De zeilen bollen zich en het schip vaart van de rovers weg. Het roer wordt omgegooid en de afstand tussen de prauwen en het schip 'wordt steeds groter. Nu dondert het geluid van de kanonnen. De vervolgers krijgen de volle laag. De zee wordt bezaaid met resten van scheepjes en lijken. De ongedeerde prauwen maken zich snel uit de voeten.
Nu werd Emde geëerd als een held; ja, een poosje! Het schelden en honen begon spoedig weer.
Men voer nu door tot Soerabaja. Wegens ongesteldheid werd Emde aan land gezet, juist op de plaats waar hij moest zijn!
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 24 juni 1955
Daniel | 8 Pagina's