Kerkgeschiedenis
IV. Calvijns reformatorische invloed op het leven van Genève.
Het bleek ons, dat Calvijn's invloed zich niet louter bepaalde tot de sector der kerk.
Toch mene men niet, dat alles geheel nieuw was. Reeds vóór Calvijn in Genève kwam, was dobbelspel en dansen verboden. Bern kende dat verbod al vanaf 1536 en in Zürich was er sinds 1529 verplicht kerkbezoek.
In Genève werd echter nu aan de uitvoering der voorschriften de hand gehouden. Dat niet alleen. Maar ook de uitvaardiging van voorschriften ging z.n. gestadig door.
Praamsma wijst daartoe op de zgn. „cries" of weeldewetten van het jaar 1558. De weeldezucht was toen zo hoog gestegen, dat Calvijn het nodig oordeelde, dat er maatregelen tegen getroffen werden. Hij zond daartoe zijn secretaris naar de Raad, die in een toespraak op het uitvaardigen van weeldewetten aandrong.
De Raad toog direct aan de arbeid en nog hetzelfde jaar volgde de uitvaardiging. Ter verduidelijking volgt hier een voorbeeld.
„Mannen mogen geen lang haar dragen. Vrouwen en meisjes is verboden elk kapsel met krullen, het opsteken en in papillotten draaien van het haar, zowel het dragen van granaten of edelgesteenten in hun kapsel of kornet.
Eveneens elke verrijking van hun kleding, japonnen of rokken, wanneer die, bij vrouwen van stand, twee middelmatige stroken te boven gaat.
Zij mogen niet meer dan vier gouden ringen dragen; behalve dan de bruiden op de dag van en na hun huwelijk. Desgelijks is de vrouwen der handwerkslieden elk dragen van een gouden ring verboden.
Eveneens mogen die handwerkslieden en de boeren geen enkele strook van zijde-fluweel of andere zijdeachtige stoffen op hun kleding dragen, noch hoeden of mantelkragen, die met zijdefluweel of andere zijdeachtige stoffen gevoerd zijn.
De kleermakers is het voortaan niet meer toegestaan nieuwe kledingmodellen in te voeren, tenzij dan met toestemming van de magistraat. Dames en heren van stand zijn echter in deze bepalingen betreffende de kleding niet begrepen." (by Praamsma).
Wie met aandacht dit geciteerde uit de weeldewetten heeft nagegaan zal zich zeker een paar vragen hebben gesteld; ook de opmerking hebben gemaakt, dat er nog al een scherpe indeling van standen was, ieder met bijzondere voorrech-
ten ten opzichte van weeldeartikelen; althans wat als weelde werd beschouwd.
Naar ons begrip is er in de hogere standen nog heel wat weelde toegestaan; en hangt de toelaatbaarheid dus af van de stand, waarin men is geplaatst. Wij zijn zo gewoon het begrip weelde tot een ethisch begrip te stempelen, dat hier niet in de eerste plaats het hoeveel, maar het al of niet geoorloofde geldt; moet gelden.
Bemerken wij dan, dat de ene stand in dezen ethisch meer is toegestaan, dan de andere, dan maakt dit op ons de indruk van onbillijke ongelijkheid, ja van een kwaad. En het bevreemdt ons misschien, hoe Calvijn zo iets kon toelaten. Als wij leven onder de heerschappij des Woords, vallen ook de burgerlijke wetten, ook die weeldewetten daaronder.
Nu is de Heilige Schrift geen burgerlijkwetboek, waarin de artikelen kant en klaar zijn neer geschreven. Maar wel zijn de beginselen in dezen aangegeven, die als richtlijnen moeten dienen. En juist over deze beginselen kan zeer veel verschil van opvatting zijn; zodat in de ene kring geoorloofd wordt geacht, watin de andere als onschriftuurlijk wordt beschouwd. De tijd van heden geeft daarvan overvloedige bewijzen. En wat zal het in vorige tijden geweest zijn.
Dit staat vast, dat het in Genève geholpen zal hebben. En dat Calvijn in dezen ook de lamp des Woords helder liet schijnen, bewijst het volgende gedeelte uit zijn preek over Deut. 1 : 5—8 (aangehaald bij Praamsma): In de eerste plaats moeten wij hier opmerken, dat de mannen zó gekleed moeten zijn, dat zij niet verwijfd zijn, gelijk men er soms ziet, die zich als bruiden versieren.
Als zij er zo uitzien, is het, alsof zij spijt hebben, dat God ze niet als vrouwen gemaakt heeft, en alsof zij hun sexe zouden willen verloochenen.
Ook wanneer de vrouwen gekleed zijn als gendarmes; gelijk er zijn, die liever een vuurroer op de schouder zouden willen dragen dan een spinrokken. Dit is tegen de natuur en moet door ons verfoeid worden.
God wil, dat wij in de kleding op het nut en de eerbaarheid zullen letten. Als ik spreek van het nut, dan bedoel ik dat men zich tevreden stelle met het dragen van kleding om zich tegen dc koude en hitte te beschermen.
En clan de eerbaarheid. Dat men gekleed, dat men bedekt zij, zodat men zich niet vermomme, teneinde een grap te hebben en door de vreemdheid de ogen der mensen op zich te vestigen; opdat men niet zegge: Wie is daar? O, dat is die en die!
Wanneer het ons voldoende is, gekleed te zijn en wij overigens enige maat houden, zodat wij de publieke orde niet onderste boven keren, volgen wij de regels die God zal goedkeuren.
En wanneer de vrouwen niet al te begerig zijn, om zich te versieren en niet aller ogen op zich willen doen vestigen, opdat men ze in haar opschik zie, is dat ook een eerbaarheid, die God ons beveelt."
V. Oppositie.
In 1541 voor de tweede maal in Genève gekomen, bleek uit de vastgestelde tuchtmaatregelen Calvijns vasthouden aan het recht der excommunicatie voor de kerk, als een muur rondom Woord en Sacrament; dat zijn doelstelling dezelfde was gebleven als de eerste maal (1536); ook dat genoemde maatregelen werden toegepast.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 29 april 1955
Daniel | 8 Pagina's