DE DIENST DER BARMHARTIGHEID
(3).
Eén van de deugden Gods is Zijn barmhartigheid, waardoor Hij de ellendige zondaar goedertierenheid en ontferming bewijst. Zowel in het Oude-als in het Nieuwe Testament wordt de barmhartigheid Gods veelvuldig genoemd, hetzij in algemene of in bijzondere zin. Barmhartigheid is meer dan medelijden en mededogen, want deze laatsten zijn niet meer dan een belangstelling tonen in het lijden der ellendigen, maar barmhartigheid gaat verder, want die treedt handelend op, om het lijden van anderen zo veel mogelijk te verzachten.
De dochter van Farao had niet alleen medelijden met Mozes, maar zij redt hem ook van de dood.
De barmhartige Samaritaan is niet alleen medelijdend, maar ook barmhartig, want hij verpleegt en verzorgt de ongelukkige reiziger, met gevaar voor eigen leven.
Nu wordt de barmhartigheid Corls niet opgewekt door de ellende der mensen, maar zij is God zelf en vloeit voort uit Zijn eeuwig welbehagen. Van eeuwigheid is Hij, in Christus Jezus, met barmhartigheid bewogen geweest omtrent Zijn uitverkoren kerk.
Zijn hart brandt om de gevallen mens in de staat zijner ellende Zijn goedheid te betonen, zoals Zacharias daarvan zingt: „Door de innerlijke bewegingen der barmhartigheid onzes Gods, met welke ons bezocht heeft de opgang uit de hoogte."
Bovenal heeft God daarin Zijn barmhartigheid bewezen door Zijn ééngeboren Zoon te zenden tot deze vervloekte aarde om ellendigen te verlossen. Ook de Heere Jezus ontfermde Zich over allerlei ellendigen en werd innerlijk niet barmhartigheid bewogen; Ilij toch opende der blinden ogen; genas melaatsen en verkondigde aan armen het Evangelie van vergeving der zonde.
O O En die God nu, Die rijk is in barmhartigheid, door Zijn grote liefde, waarmede Hij Zijn gemeente heeft liefgehad, roept nu ook Zijn kerk tot barmhartigheid, om daarin het beeld Gods te vertonen. Hier nu hebt ge de grondslag van het diaconale werk. En vooral in deze tijd moet daar sterk de nadruk op worden gelegd. Onder het Oude Verbond komt dit reeds uit in de Mozaïsche wetgeving. De armen hadden recht op een deel van de oogst. De hoeken van het land mochten niet worden afgemaaid. In het Sabbathsjaar \Vas hetgeen op de akker vanzelf gegroeid was, voor de armen. Noodzakelijk en onmisbaar huisraad mocht niet ten pand worden genomen. Vandaar dat vooral de profeten Amos en Hosea het verwaarlozen van dit deel der wet zo
scherp geselen. De armen zijn van de aanvang af in de kerk van Christus
om Zijnentwil en in Zijn Naam verzorgd. Paulus zegt dan ook: „Maar zijt jegens elkander goedertieren, barmhartig, vergevende elkander, gelijkerwijs ook God
in Christus uiieden vergeven heeft." En deze barmhartigheid moet de kerk nu tonen in de zorg voor de armen, weduwen en wezen, waarom deze dan ook de dienst der barmhartigheid wordt genoemd. Zo zijn we dus gekomen bij het ambt der diakenen. Over de instelling van dat ambt in een volgend artikel.
„Diaconos."
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 april 1955
Daniel | 8 Pagina's