Vaderlandse Geschiedenis
's-Gravenhage. Ook hier ontstond een bittere strijd, waarvan Ds. Rosaeus de dupe werd.
Er stonden in 's-Gravenhage vier predikanten: Lafaille, Lamotius, Rosaeus en Uytenbogaert. De twee eersten waren wel contra-remonstrants, maar hadden naar het zeggen van de Arminiaan Uytenbogaert „de vrede lief", m.a.w. van dezen hadden de Remonstranten geen last.
Heel anders geaard was Rosaeus. Hij was van een vurig temperament. Uytenbogaert, dat weten we, was een der ondertekenaars van de bekende Remonstrantie. Tussen deze twee zou de strijd ontbranden. Reeds vanaf 1613 zei Rosaeus dingen in zijn preken die voor de Arminianen niet prettig waren. Hij noemde echter geen namen. Maar voor de hoorders waren de zaken zeer doorzichtig. We noemen er enkele: „Sommigen benemen de mensen de zekerheid hunner zaligheid en stellen die in 's mensen macht". „Sommige kerkelijken en politieken mengen hun politieke meningen tussen de goddelijke en kerkelijke zaken en spreken van modereren. Dat zijn satans".(!) „In deze tijd zijn er, die vreemde wetenschap zoeken in de kerk in te voeren tegen hetgeen meer dan veertig jaar gepredikt is, leringen tegen de confessie en de catechismus. Dat zijn stichters van nieuwe leringen en zware wolven, die de kudde niet sparen". Met Pasen 1614 zei hij in zijn preek, „dat er nog heden ten dage oversten waren, die Christus kruisigden in veler christenen harten".
Het kwam Uytenbogaert ter ore en het ergerde hem hevig. Vooral als hij Rosaeus hoorde leren: „Dat God altijd der uitverkorenen God en Vader bleef, hoe gruwelijk zij ook kwamen te zondigen". Ook omdat hij zei, dat David, levende in overspel een schaap was en bleef, omdat hij zegt: „Ik heb gedwaald als een verloren schaap".
Natuurlijk heeft Rosaeus meer daarbij gevoegd, dat Gods ware kinderen niet goedkoop zondigen, vallen onder zware bittere kastijdingen, om hen van de zonde te spenen. Maar juist dit laaste en voornaamste liet de Arminiaan weg!
„De wolf wil in de schaapstal getolereerd worden. De Jezuïeten willen ook wel onder ons getolereerd worden. Maar wij moeten ons daartegen stellen'. Het werd Uytenbogaert nu al te bar. De ode September 1615 hield hij in de Grote Kerk van 's-Gravenhage een predikatie naar aanleiding van Markus 6 : 34: En Hij begon hun vele dingen te leren". Wij lichten ter typering twee gedachten uit: Aan de andere zijde, die in Christus geloven en in dat geloof, de christelijke deugden en de godzaligheid volharden, het blijkt, dat dezulken van God ten eeuwigen leven verordineerd zijn; niet dat ik zeggen wil, dat hun deugden zulks verdienen, want wat vergelijking hebben deze werken met het eeuwige leven? Maar omdat wij ons best doen, zo neemt God ons in genade óp en aan!" (Waarom is dit fout, jonge lezers? ) Verder zei hij, dat „het begin, midden en einde der zaligheid alleen bestond in de genade Gods, maar of iemand, gevallen zijnde in overspel of moord, verzekerd kan zijn van wederom op de rechte weg te komen en daarin te volharden, dat durfde Uytenbogaert niet te zeggen".
De? e predikatie bracht heel wat rumoer te weeg. Kort daarop zou het II. Avondmaal bediend worden, maar Rosaeus bracht te voren een ernstige klacht in naar aanleiding van de gehouden predikatie. Beiden moesten voor de kerkeraad verschijnen, waar een hevig dispuut plaats had. Het ging daarbij niet enkel om de leer, maar ook over de handelingen der Remonstranten.
Twee dagen daarna werd het H.A. bediend, maar Rosaeus nam er geen deel aan. Uytenbogaert beschouwde dit wegblijven als een excommunicatie van de zijde van Rosaeus, alsmede een verklaring, dat hij het H.A. en dus de gemeenschap van Christus onwaardig was.
Hij diende op zijn beurt een klacht bij de kerkeraad in en wilde, dat deze van Rosaeus de punten in kwestie zou afeisen. De kerkeraad deed dit niet. Maar wel maakt hij in de vergadering van 23 Oct. een z.g. „Acte van accomodatie" op. Het woord „accomodatie" zei al genoeg. Ter adstructie geven we de slotzin weer: „Belovende de een de ander voortaan, als goede mededienaars (sic!) getrouwelijk en zonder contentie te assisteren (bij te staan), om de vordering van de ere Gods en de goede onderwijzing van de gemeente, zoals het aan goede kerkedienaars en broeders ambtshalve toestaat; houdende alle geschillen en oflensiën tot nu toe gevallen, in alle manieren of die nooit gebeurd of gevallen waren geweest."
Rosaeus nam dit niet aan. In genoemde acte werd ook de zinstede aangetroffen, dat men over de geschilpunten niet anders dan zeer sober en met gematigdheid zou spreken. Zou hij zwijgen, zou hij broederlijke gemeenschap moeten houden met hen, die afweken in de leer, wat de "grondstukken betreft? Dat kon hij niet en hij ging voort te prediken in de oude trant.
Nu kwamen de Staten van Holland op 't appèl. Het was hun aangezegd, hoe Rosaeus „te keer ging". De irenische broeders Lamotius en Lafaille werden ontboden en uit hun mond vernamen de Staten, dat Rosaeus inderdaad geweigerd had de acte te tekenen en ook het voorstel van de kerkeraad, om bij eern volgende avondmaalsviering met Uytenbogaert aan te zitten, had van de hand gewezen.
Rosaeus moest maar eens op het matje komen en de Gecommiteerde Staten eisten kort en krachtig: Met de acte accoord gaan! Vrede houden! Aan het avondmaal gaan!
Hij boog zich niet voor de Staten. Dat was geen koppigheid; hij kon niet om des gewetens wille.
Op 22 Dec. 1615 werd hem een bedenktijd van 14 dagen gegeven. Weigerde hij, dan zou hij geschorst worden, liet moet gezegd worden, dat Rosaeus toen
zeer voorzichtig handelde: hij raadpleegde andere predikanten. Vervolgens zond hij een brief aan de kerkeraad en verzocht daarin, of deze aan de Gedeputeerden voor hem om uitstel van het vonnis wilden vragen. Ook diende hij een verzoekschrift in bij deze Gedeputeerden, dat hij in vrede met Uytenbogaert wilde leven, mits deze zou bekennen „in geen andere punten dan de bekende vijf punten van de kerken te verschillen en tevens zou beloven mee te zullen werken tot het samenroepen van een nationale synode."
Rosaeus moest nu andermaal voor de gecommitteerden verschijnen.
P. I. Lamoré.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 18 maart 1955
Daniel | 8 Pagina's