Verkiezing en verwerping
(10)
Waarom heeft God uitverkoren?
Een nieuwe vraag doet zich aan ons voor in betrekking tot het besluit van Gods uitverkiezing, n.1. deze: „Waarom heeft God uitverkoren? "
Oppervlakkig beschouwd, lijkt het alsof deze vraag in hoge mate ongepast, ja, onbescheiden is. Immers, wanneer wij vragen naar het „waarom? " van Gods handelingen, en vooral naar het „waarom? " van Zijn besluiten, dan stuiten we
op de oneindige grootheid en onbegrijpelijkheid Gods. Welk mensenkind zou Gods „waarom" d.w.z. zijn beweegredenen kuilnen verklaren? De hoogst begenadigde van Gods kinderen heeft toch slechts een „klein stukske der zaak" van Hem gehoord; wie zou dan de donder Zijner mogendheden verstaan? Job 26 : 14. Wel mogen we met Zofar zeggen: Zult gij de onderzoeking Gods vinden? Zult gij tot de volmaaktheid toe den Almachtige vinden? Zij is als de hoogten der hemelen; wat kunt gij doen? Dieper dan de hel; wat kunt gij weten? " Job 11 : 7, 8.
Neen, als God Zelf niets geopenbaard had van de beweegredenen Zijner verkiezende liefde, — we zouden al te vermetel zijn, wanneer we toch naar het „waarom" durfden vragen. Maar zie, het heeft de Heere behaagd om Zelf een tip van de sluier op te lichten, en ons een blik te gunnen in de verborgenheden van Zijn Raad. En zover nu, als de Heere dat in Zijn Woord geopenbaard heeft, mogen we er onze eerbiedige aandacht aan schenken, en naspeuren waarin het „waarom" Gods wel bestaat.
Laat ons dan eerst nagaan, bij wijze van tegenstelling, waarom de Heere niet heeft uitverkoren; m.a.w. wat Gods beweegredenen niet geweest zijn.
God heeft niet uitverkoren om een zekere waardigheid, die de een boven de ander zou bezitten. Zo toch kiezen wij, mensen, uit. Wie een bediende vraagt in zijn zaak, zoekt uit tal van sollicitanten de beste uit. Wie spijzen gaat kopen in kruideniers-of groentenwinkel speurt met zorgvuldigheid na, wat het smakelijkst en het voordeligst is, en kiest dat uit. En daarin is ook niets bijzonders. We mogen dat doen, en hebben juist van onze schepper een oordeel des verstands ontvangen, opdat wij het gebruiken zullen. Ja, zelfs in tal van geestelijke zaken is dat de aangewezen weg, naar luidt van des Apostëls woord: „Beproeft alle dingen, behoudt het goede!"
Maar zo staat het met Gods uitverkiezing niet. Hij heeft niet het meest-waardige, niet het kostelijkste, niet het beste uitgezocht. Alle vlees (God zag het reeds in de eeuwigheid) zou zijn weg voor God verderven; er zou niemand geboren worden, die goed kon doen, zelfs niet tot één toe.
Heeft de Heere God dan soms, (zoals sommige sekten willen) wel alle mensen als slecht gezien, maar dan toch nog het beste uit het slechte uitgekozen? Ja, er zijn mensen, godsdienstige mensen, die dat beweren. Die van harte toestemmen, dat alle mensen zondaars voor God zijn; maar die toch' aannemen, dat de maat der zonde zeer verschillend is, en dat God de Heere nu hen, die nog het minst slecht zijn, ter zaligheid heeft uitverkoren.
Maar ge verstaat wel, mijn vrienden, dat ook dit op Gods verkiezing niet toepasselijk kan zijn. Want ook dan immers zou het toch nog aan de waardigheid van de mens liggen; dan zou althans de beweegreden in het schepsel gezocht moeten worden. En al is het geen wonder, dat de mens, die van nature uit een verbroken werkverbond wil leven, gaarne deze kant uit wil, — niettemin snijdt Gods Woord deze gedachte bij de wortel af. Er is niets in de mens, totaal niets dat invloed op Gods verkiezing heeft gehad. De beweegredenen liggen niet in de mens, maar louter en alleen in God zelf.
Weet ge, wat eigenlijk het grote verschil is, tussen het verkiezen Gods en het verkiezen van de mens? Wij, mensen, kiezen iets uit omdat het waarde heeft! daarom en daarom alléén begeren wij het. Maar bij de Heere God is het precies andersom: Hij geeft aan iets waarde, doordat Hij het verkiest.
Verkiezen wil dan ook zeggen: verlenen, begiftigen, iets mededelen, dat het voorheen niet bezat. Dat is de betekenis, de waarde van Gods uitverkiezing. Hij ziet de mens liggen in zijn algehele verlorenheid; er is geen waarde en begeerlijkheid en niets aanlokkelijks in hem. Maar nu komt God in Zijn verkiezende liefde dat onooglijke, afzichtelijke, nietswaardige schepsel met Zijn Goddelijke sieraden omhangen, en daardoor maakt Hij hem rijk en heerlijk en begeerlijk. Al wat de mens voor waardigs, voor aantrekkelijks, voor heerlijks heeft, wordt hem krachtens Gods verkiezing geschonken; en niet andersom.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 18 februari 1955
Daniel | 8 Pagina's