De taal der ouden.
RONDKIJK
Onze Nederlandse taal is een levende taal. In de loop van de tijd heeft zich uit verschillende dialecten het Nederlands gevormd, dat onze beschaafde schrijf-en spreektaal is geworden en ook die van onze taalgenoten in België. Tot , de verdere vorming van die taal hebben ongetwijfeld de Staten-vertaling, de psalmen van Datheen en de scholen het hunne toe bijgedragen. En onze taal , , leeft" voort, d.w.z. er komen telkens wijzigingen in. Nieuwe woorden, nieuwe uitdrukkingen doen hun intrede in onze taal. Om iets te noemen: voor de eerste wereldoorlog kende men het werkwoord „hamsteren" niet, (levensmiddelen opslaan) een woord, wat de laatste kwarteeuw algemeen is geworden.
Nu spreken we b.v. al van „atomiseren" (inschakelen van arbeidsvermogen door atoomenergie!). Zo zou ik wel honderd voorbeelden kunnen opsommen. We hebben 'de laatste jaren diverse nieuwe spellingen gekregen; er is nu weer een nieuwe woordenlijst voor onze Nederlandse taal van de pers gekomen, zodat we de wisselingen bijna niet meer kunnen bijhouden. Maar we moeten ons aanpassen, ook uw rondkijker schrijft met minder o's en e's.
Intussen raken we meer en meer van de taal der ouden af. We zijn nu zo ver, dat we een nieuwe bijbelvertaling hebben, met gloednieuwe uitdrukkingen, die vreemd in onze oren klinken.
Bij Kok verscheen het Oude Testament met verklat-ende aantekeningen in de nieuwe vertaling; vele Profs, en Dr.'s werkten er aan mee. 't Kan nuttig zijn voor studie, maar de beroemde kanttekeningen van onze Statenvertalers raken er naar mijn mening mee op de achtergrond.
Laatst was ik in een gezin, waar een jongeman het waagde om stikum na het eten een hoofdstuk uit de nieuwe vertaling te lezen. Nauwelijks had hij twee of drie verzen gelezen toen de vader, die het bemerkte, zei: „doe dat boek dicht en neem de Bijbel!" (waarmee hij de Statenvertaling bedoelde). Ik heb daar destijds het mijne over gezegd en ga daar thans niet verder op in. Staan we zo ver van onze beminde Statenbijbel af, dat we die taal niet meer kunnen volgen ? Dan wordt het droevig.
De geestelijke taal der ouden was scherp en bondig. Als ik de oude schrijvers lees denk ik wel eens, dat men het tegenwoordig zó niet meer kan zeggen. Al zijn wij kinderen van een nieuwe tijd (ik bedoel op taalgebied), laten wij hun zegen spreekwijzen niet verachten, maar ons er liever in verdiepen. Dat wordt, meen ik, te weinig gedaan.
Als de oudjes op de conventikelen bij elkaar waren, hadden ze soms ook van die typische uitdrukkingen, maar met een diepe ondergrond. Zo heb ik eens een oudje meegemaakt op een gezelschap, die sprak van het „Beweegrad." Ge zult dit woord vergeefs in uw dictionnaire zoeken, maar dat volkje verstond elkaar! Als hij dan over het „Beweegrad" sprak, smolt de man weg in tranen over het wonder dat God van eeuwigheid bewogen was geweest om op hèm neer te zien die niet beter maar slechter was dan zoveel anderen die de Heere voorbijging. „Mij, de grootste der zondaren is barmhartigheid geschied!" Dat „waarom" kon hij niet klein krijgen, daar zal de eeuwigheid voor nodig zijn, om dat uit te wonderen!
De ene kool vuurs stak bij die gelegenheden de ander wel eens aan, vereend van geest zong men dan: , , 'k Zal eeuwig zingen van Gods goedertierenheên" en: „door U, door U alleen, om 't eeuwig welbeha-< gen I"
Ze heffen nu die jubelzang hierboven reeds lang volmaakt aan; hun sprake hier op aarde mochten we door genade maar leren nastamelen. De taal Kanaans zullen we toch hier moeten leren. Verleden week ontmoette ik bij een onzer predikanten twee Amerikanen, één was in Amerika geboren, maar die taal verstonden ze. Ik dacht toen aan de regels van de oude dichter: „Al komt dat volk uit verre landen, hun harten vloeien saam ineen." Of, zoals Groenewegen zingt:
„We hebben "t zelfde onder-[vonden, „Elk praat uit des anders hart, „Eén van taal, èn spraak, [èn gronden, „Ene blijdschap, éne smart."
Wijlen Ds. Kersten roept het onze jonge mensen in zijn geschriften toe: „lees en herlees onze oudvaders!" We zeggen het hem na. De taal der ouden mocht ons tot zegening zijn.
Daar ben ik echter een groot voorstander van. Laat de jongens hun dienstplicht vervullen zo kort mogelijk bij huis. Het is nu heel gewoon dat een jongen uit Terneuzen in Assen ligt en een jongen uit Assen in Bergen op Zoom. Dat is heel erg jammer dat men bij de indeling zo weinig rekening houdt met de woonplaats van de soldaat. Wanneer de jongens korter bij hu woonplaats dienden zou er zeker veel minder gelift worden.
Men moet zich niet steeds beroepen op het z.g.n. verderfelijke kazerneleven. Ten eerste jongens maken jullie dat leven zelf, maar anderzijds wordt dit geweldig overdreven. Men kan soms gesprekken aanhoren over het kazerneleven, waarbij je de haren ten berge rijzen. Ik ben bijna 40 jaren in militaire dienst en ik geloof dat ik in alle bescheidenheid toch wel mag zeggen dat ik het kazerneleven van nabij wel ee beetje ken. Is dat dan ideaal. Geen sprake van. Is dit in ons gezin ideaal. Is het leven in onze gezinnen nog zo als het vroeger was of zo als het werkelijk zijn moet. Ik heb hierover wel eens iets gelezen maar dan moet ik zeggen, dat ik in alles te kort schiet en gij lezer?
Heus mijn lezers, het is niet zo erg als het wordt opgediend. Op dit gebied is • er een schromelijke overdrijving. Het le-n ven is ruw maar niet ruwer dan op een fabriek of een andere grotere gemeenschap. Zondags is het zeker niet ruw, want dan zijn tegenwoordig de meesten weg. Ook scheelt het ene korps veel met het andere. Bij het korps waar ik dien is het zeer zeker niet ruw. Natuurlijk is het geen oude-mannenhuis, maar is het ook daar soms niet ruw? Voorts speelt de genoten opvoeding van de jongens een grote rol. Hij moet nu meer dan thuis op z'n eigen benen staan. Maar wordt hij daar minder van. Ik heb eens n een jongen in dienst gehad, die enigst kind is. Op een Zondag had hij wachtdienst te verrichten. Die moeder vond dat zo erg, dat ze op Zondag met een auto die jongen kwam bezoeken en vroeg of haar zoon toch niet vrij kon krijgen van die wachtdienst. Ja, als men zo'n opvoeding geeft, dan begrijpt U wel dat het ook verschrikkelijk wordt voor zo'n jongen zelf. Het is voor die moeder te hopen, dat zoonlief nooit trouwt en in een andere stad gaat wonen, want dat houdt zij dan nooit uit. Mijn opvatting resumerende zeg ik dus:
le. Lijf de jongens in bij een korps dat zo dicht mogelijk bij zijn woonplaats is gelegerd.
2e. Is het niet strikt noodzakelijk of gewenst, dat een jongen iedere week thuis komt.
Aangezien mijn artikel „liften" nog niet af is hoop ik dit D.V. de volgende keer te vervolgen. Voorlopig deze week genoeg en de hartelijke groeten van
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 21 januari 1955
Daniel | 8 Pagina's