Vaderlandse Geschiedenis
Wij zouden enkele voorbeelden geven van de vervolgingen der Contra-Remonstranten.
De „keur" van Rotterdam. (5 Maart 1612). Deze keur was een stedelijke verordening; een schandelijk stuk. In die tijd was de bekende Hugo de Groot pensionaris der stad.
Reeds voor de „keur" werd uitgevaardigd, woelde het in de stede van Rotterdam.
Er stond te dezer tijd ook als predikant een zekere Nicolaas Grevinchove, een der ondertekenaars van de Remonstrantie. Hij was de opvolger van zijn vader, die echter de gereformeerde beginselen hartelijk had liefgehad.
Weldra had Grevinchove een drietal confraters aan zijn zijde. Eerst maakten zij schoon schip, door al de gereformeerde ouderlingen en diakenen door hun gezinde broeders te vervangen.
Er was echter nog één sta-in-de-weg in Rotterdam. Dat was de Waalse predikant Geselius, die de zuivere leer was toegedaan.
Bij Groen wordt hij genoemd een man, onbesproken van leer en leven.
Dat hij de heren dus in de weg zat, laat zich goed begrijpen. Er kwam bij, dat hij maar twee preekbeurten in de week had. Had hij geen lienst, dan gingen velen 's Zondags naar de omliggende dorpen, wat waarlijk geen pretje was (slijkgeuzen).
Geselius kreeg de schuld van de scheiding en moest en zou van het toneel verdwijnen.
Zij stelden een formulier van eendracht op en eisten van Geselius: le om zich te matigen in zijn preken; 2e om het formulier van de kerkeraad te ondertekenen; 3e om één zijner ambtgenoten te verklagen; 4e om zich aan het oordeel des kerkeraads te onderwerpen.
Geselius dacht er niet aan, zich naar hun zin te schikken. Het werd een hevig gekijf tot in de classis toe.
Ook met de Rotterdamse magistraat kreeg hij het aan de stok. Hij moest voor hem verschijnen en beloven, dat hij zich schikken zou naar de resolutie van de Staten van Holland om matig van de dingen te spreken.
Hij heeft dat gedaan, om afzetting te voorkomen.
Maar het einde zou toch afzetting worden. Eens had hij gepreekt over Hebr. 12 : 14 en de magistraat had ten onrechte de verklaring op zichzelf toegepast. Hij werd afgezet.
Toen hij op verzoek van verscheiden lidmaten toch doorging met preken in huizen, werd hij door de politie op 14 Febr. 1612, 's morgens om 5 uur, alsof hij een gemene boef was, de stad uitgezet. Men vond ten slotte in Rotterdam geen enkele gereformeerde predikant meer.
Kort daarop verscheen dan de opgemelde „keur". Het zou teveel plaats eisen het ding in zijn geheel op te nemen. Dit vermelden we alleen: alle onderlinge samenkomsten van de Contra-Remonstranten werden in de stad en in de jurisdictie der stad verboden. Wie er deel aan nam betaalde honderd gulden, die zijn plaats, huis, schuur of andere gelegenheid voor de samenkomst afstond tweehonderd gulden, de prediker honderd gulden, alles binnen 2 x 24 uur te betalen en zo niet, dan volgde ontpoortering.
En om te laten gevoelen hoe grootmoedig (? ) zij nog voor de Gereformeerden waren, volgde dit fraais: „En opdat niemand mene, dat men onder pretext (= voorgeven) van deze wettige en noodzakelijke ordonnantie en keur, enige kerkedienaars van de ware christelijke religie van buiten komende, alle kerkelijke exercitie (= godsdienstoefening) wil benemen of verbieden, zo verklaren schout, burgemeester, schepenen en raden voornoemd, zeer wel te mogen lijden (— wel willen toestaan) dat zodanige kerkedienaren zich met een adres tot de kerkeraad dezer stede wenden en dat zij bij verlof van deze mogen prediken en leren in de kerk hetgeen tot vrede, stichting en opbouwing van de kerk en de goede gemeente van deze stad is dienende."
Maar zij moesten zich houden aan de resolutie van de Staten van Holland en West-Friesland (d.d. 20 Mei 1911) d.i. de resolutie tot „onderlinge verdraagzaamheid". Aanvankelijk werd de keur nog weinig uitgevoerd maar op 30 Augustus 1615 vernieuwd en streng toegepast.
Menigeen verloor huis, schuit, berg, schip, veld enz., waar men vergaderde. Wie de godsdienstoefeningen toeliet of leidde werd beboet met ƒ 300. Betaalde rnen niet, dan volgde lijfsdwang. Genoemde vergaderplaatsen zouden worden verbeurd verklaard. Ook kon bannissement volgen; en is gevolgd. Zeker schrijver zegt: „Er werd nu letterlijk een jacht op de Gereformeerden gehouden."
Is het niet gruwelijk?
Schoonhoven. Hier ging het niet minder grof toe. In 1615 werden eerst een predikant en een ouderling buiten de stad gezet en vervolgens 5 ouderlingen en diakenen „ontpoorterd", d.w.z. zij werden niet meer als burgers der stad beschouwd, wat tevens inhield, dat hun het drijven van alle handel werd verboden, ook de uitoefening van hun beroep.
Toen zij tot cle burgemeester zeiden, zich te beroepen op de opperste rechter Christus, antwoordde hij: „Doe dat, doe dat."
In appèl gaande bij de Staten van Holland, voegde Oldenbarnevelt hen toe: „Hier valt geen repliek.' M.a.w.: „Je vonnis is geveld."
En toen deze mensen hun bedrijf buiten cle stad wilden uitoefenen, weigerde men hun gewichten te ijken en kregen zij bovendien nog 25 goudguldens boete. De Gereformeerden gingen als naar gewoonte naar de kerk; maar de predikant werd eenvoudig van de preekstoel gehaald en de stad uitgezet.
Dan zullen ze buiten de stad samenkomen.
De schout trekt nu met een bende ter poort uit en jaagt de saamvergaderden in een schuur, uiteen. Tevens gelast hij de zakkendragers de schuur af te breken.
De schout was door het dolle heen. Op het gemeentehuis werden 60 spiesen saamgebracht en doorgezaagd. Het boveneind vormde een piek; het ondereind werd met ijzeren punten beslagen om de Gereformeerden, die verzet pleegden „op de kop te slaan!"
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 7 januari 1955
Daniel | 8 Pagina's