KERSTFEEST
Nauwelijks had de mens gezondigd — 't Goddelijk vonnis was geveld —• Of aan twee verslagen harten, Werd dit blijde nieuws gemeld: Er zal een Verlosser komen, Die des Satans kop verplet. Christus Hij zal triumferen, Zelfs geen Satan die 't belet.
Abram schouwde Hem van verre. Hij doorleefde in de geest, De geboorte van de Heiland; Vader Jacob is 't geweest, Die Hem als de Rustaanbrenger, In 't geloof ook heeft aanschouwd. God had hem die heilgeheimen, Op zijn sterfbed toevertrouwd.
Mozes wist: Straks wordt geboren Jezus Christus, de Profeet Hoor naar Hem o volk van Isrel. En zelf Bileam hij weet Christus' komst reeds te vermelden. Ook hij schouwde Hem van ver. In de donkere nacht verrees er, Voor zijn geestesoog een Ster.
Bileam had schone woorden'. — Maar de zaken miste hij — Schoon ze Balak niet bekoorden, Sprak ook die profeet zeer vrij, Van de komst van Vorst Messias, Hij zal Moab gans verslaan. Bileam, zo zeer vijandig, Is daarna weer heengegaan.
Een Kind is ons geboren! Zo roept Jesaja uit. Die adelaar der profeten, Gaf 't zuiverste geluid, 't Is of hij als het ware, Bij Bethlems kribbe star.t En daar die blijde tijding, Den volke horen laat .
De plaats van Zijn geboorte, Heeft Micha ons vermeld: Hij heeft in vroeger eeuwen, Zeer duidelijk voorspeld, Dat 't Bethlehem zal wezen. Al is het nog zo klein. Dat zal 't bevoorrecht plekje, Op 's Heeren tijd eens zijn.
De tijd van Zijn geboorte, Vermeldt ons Daniël. Hij heeft het voorgerekend: Nog zeventig maal zeven, Dan komt de Middelaar. Dan is 't getal der jaren, Vervuld, de tijd is daar.
Voorts heeft ook Maleachi, Van Hem geprofeteerd. Hij zal verschijnen snellijk Zó heeft hij 't volk geleerd.
Zijn komst wordt aangekondigd. Voor Hem gaat een heraut. Zo heeft ook Maleachi, Johannes reeds aanschouwd.
Die laatste — Maleachi — Hij was de Avondster. Die nog Oud-Testamentisch Heel klaar, hoewel van ver, Die Ster uit Jacob schouwde, Toen werd 't voor Isrel nacht. God liet hen in het duister, Schoon Hij Zijn volk gedacht.
Vier eeuwen gingen henen. Gods Kerk sprak ook weleer: „Wij zien in onze dagen Geen van Gods tekenen meer." En weinigen verwachtten Die Ster uit Jacobs toen. Wat had ook 't vleeslijk Irsel, Nu met Zijn komst van doen?
Slechts enkele vromen vroegen: „Wat is er van de nacht? Dat Gij de heemlen scheurdet En aan Uw kerk gedacht." Hoe zagen deze vromen, Naar zulk een heil-dag uit. Die dag, ze is gekomen. Volvoerd werd Gods besluit.
In Bethlehem, in 't Broodhuis, Daar ligt dat Kind ter neer. Waarvan reeds was gesproken, In dagen van weleer. Daar ligt het Brood des Devens, 't Welk hongerigen voedt. Voor Wien ook elke knie zich, Wis eenmaal buigen moet.
Men hoort weer deze boodschap Men viert weer 't heuglijk feest, Helaas wat zijn er weinig, In Bethlehem geweest. Wat wordt het Vrede op aarde, Door enkelen slechts verstaan. Men wil als arme zondaar, Niet bij de kribbe staan. Geen plaats voor deze Koning, In 't zo onrustig hart. De herberg dezer wereld, Is hopeloos verward. Geen plaats voor Koning Jezus, In dit zo hopeloos oord. Maar wordt eens de belijdenis Van zondaars nog gehoord, Die aldoor klagen moeten: „Mijn hart? Een beestenstal!" Gewis, dat daar die Koning, Zijn intrek nemen zal. Dan is het waarlijk Kerstfeest, Voor zulk een arme ziel. Dat dit door Gods genade, Ook ons te beurte viel.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 24 december 1954
Daniel | 8 Pagina's