hEt oostERSE Landschap
Woestijn, steppe, woud.
I. Woestijn.
Herhaaldelijk treft het ons, dat wij westerlingen een verkeerd beeld hebben van wat de Statenvertaling „woestijn" pleegt te noemen. Onwillekeurig denken we dan aan een onafzienbare zandvlakte, een wildernis zonder enige plantengroei, waar de zon de ganse dag haar verzengende stralen op neerzendt.
Dit beeld hoeft niet altijd zo te zijn. Zo ziet de woestijn er wel uit, waar de bodem bestaat uit zouthoudend leem, wat aangeduid wordt in Ps. 107 : 34: Het vruchtbaar land tot zoute grond, om de boosheid dergenen, die daarin wonen." Maar heeft de woestijn een bodem van kalk, vermengd met fijne leemdeeltjes, dan heeft de woestijn uit de Bijbel ook een plantenkleed. Zelfs de Bijbelse „zandwoestijn" heeft dan nog plantengroei. Is het u nooit opgevallen, dat Hagar in de woestijn Ber-seba dwaalde en dat daar nog zoveel plantengroei was, dat zij haar kind onder één van de struiken kon werpen? (Gen. 21 : 15). Dan
vinden we het nu ook niet zo vreemd meer, dat Elia voor Izebel vluchtte in de woestijn en zat onder een jeneverboom. Dus alweer plantengroei in de woestijn. Samenhangend hiermede één vraag: Waar zou het vee van de Israëlieten zich mee gevoed hebben tijdens de 40-jarige omzwerving in de woestijn?
Soms treffen we in de woestijn hogere boomgroei aan. Dat is dan een oase. Een zeer bekende is die van Engedi aan de Dode Zee: „de oase doemt eensklaps voor hem op in de droogste en meest vergiftigde streek van onze planeet." (G. A. Smith.)
De echte woestijn wordt in de Statenvertaling meestal aangegeven met „wildernis." Deze is dus arm aan neerslag. En toch: Ik zal in de woestijn de cederboom, de sittimboom, en de mirteboom en de olieachtige boom zetten; Ik zal in de wildernis sellen de denneboom, de beuk en de busboom te gelijk." (Jes. 41 : 19). Dit is als bewijs van het wondere van Gods vernieuwende genade.
II. Steppe.
Langs de woestijn ligt een steppenland. Hier valt niet zoveel neerslag, dat er bossen kunnen ontstaan, maar wel zoveel, dat er een natuurlijke plantengroei gevormd wordt, bestaande uit grassen, kruiden en struiken en hier en daar een eenzame boom. Komt men nu in Palestina, dan zal men van die steppe uit de oude tijd niet veel meer ontdekken. Men vindt daar nu korenakkers. Hieraan kan men dan zien, dat men niet meer in de woestijn is, want daar is door de geringe regenval korenbouw ten enenmale uitgesloten.
Deze steppe wordt in de Statenvertaling ook aangegeven door het woord „woestijn." In de grondtekst staat dan echter een ander woord dan dat voor „woestijn" in het hierboven behandelde.
In de steppe is het land vrij vlak, zodat hier de wegen door liepen. De rij-en lastdieren der karavanen kunnen zo onderweg hun voedsel vinden. Zou hierdoor de hierboven gestelde vraag aangaande het voedsel voor het vee der Israëlieten zijn opgelost?
Een paar van die steppenwegen worden in de Bijbel genoemd: En hij zeide: oor welke weg zullen wij optrekken? Hij dan zeide: oor de weg der woestijn van Edom." (2 Kon. 3 : 8).
„Als wij nu doorgetrokken waren van onze broederen , zo keerden wij ons en doortogen de weg der woestijn van Moab." (Deut. 2:8).
Wanneer de regentijd aangebroken is, dan wordt de woestijn, dus de steppe, met groene planten bekleed, die voedsel voor het vee zijn: Zij bedruipen de weiden der woestijn; en de heuvelen zijn aangegord met verheuging." (Ps. 65 : 13) „Vreest niet, gij beesten des velds, want de weiden der woestijn zullen weder jong gras voortbrengen; want het geboomte zal zijn vrucht dragen; de wijnstok en vijgeboom zullen hun vermogen geven." (Joël 2 : 22)
III. Woud.
Eenmaal heeft Palestina gelegen in de woudgordel, die nu nagenoeg verdwenen is, uitgezonderd op de Karmel. Thans vindt men alleen nog de cultuurplanten olijf, wijnstok en vijgeboom. In plaats van de grote wouden van vroeger vindt men nu l l /2 a 2 meter hoge altijd groene struiken en daartussen op de bodem kruidachtige gewassen.
Toen de Israëlieten in Kanaan kwamen, was een groot Gedeelte van het woud al o o verdwenen en in cultuurland veranderd: Dus heb Ik u een land gegeven, waaraan gij niet gearbeid hebt, en steden, die gij niet gebouwd hebt, en gij woont in dezelve; gij eet van de wijngaarden en olijfbomen, die gij niet geplant hebt." (Joz. 24 : 13).
Bovendien hebben de Israëlieten ook nog wouden uitgeroeid, omdat de akker boven het woud werd gesteld. Jozua zei: Dewijl gij een groot volk zijt, zo ga op naar het woud, en houw daar voor u af in het land der Ferezieten en der Refaieten, dewijl u het gebergte van Efraïm te eng is." (Joz. 17 : 15).
Wanneer nu in de Bijbel het woord woud of bos voorkomt, wordt wellicht slechts bosland of kreupelhout bedoeld en dat het oorspronkelijke woud in Israëls dagen reeds tot kreupelhout vervallen was: Want de goddeloosheid brandt als vuur; doornen en distelen zal zij verteren, en zal aansteken de verwarde struiken des wouds, die zich verheven hebben als de verheffing des rooks." (Jes. 9 : 17)
Bijbelse wouden zijn:
1. Basan: Huilt, gij dennen, dewijl de cederen gevallen zijn, dewijl de heerlijke bomen verwoest zijn; huilt, gij eiken van Basan! dewijl het sterke woud nedergevallen is." (Zach. 11 : 2).
2. Efraïm: Alzo toog het volk uit in het veld, Israël tegemoet; en de strijd geschiedde bij Efraïms woud." (2 Sam. 18 : 6).
3. Chèrèt: Doch de profeet Gad zeide tot David: lijf in de vesting niet, ga heen en ga in het land van Juda. Toen ging David heen en hij kwam in het woud Cheret." (1 Sam. 22 : 5).
De grens tussen woestijn, steppe en woud hangt dus nauw samen met de regenval:
minder dan 200 mm woestijn, 300 tot 400 mm steppe, boven 500 mm komt men in de woudgordel.
Bij het bijbellezen moeten we clus met het woord „woestijn" een beetje voorzichtig zijn.
Het kan dus betekenen: woestijn als wildernis en woestijn als steppe. Het hangt er maar vanaf, welk woord er in grondtaal gebruikt is. En aangezien de doorsneebijbellezer de grondtaal niet kent, is een goede Bijbelverklaring onontbeerlijk.
Nu stelt God waterbeken Tot bar en dorstig land, Herschept in dorre streken Rivieren door Zijn hand; Hij stelt een vruchtbaar oord Tot woest' en zoute gronden; En straft ze, naar Zijn woord, Die daar Zijn wetten schonden.
(Ps. 107 : 17)
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 10 december 1954
Daniel | 8 Pagina's