Rondom kerk en staat
IIet is geenszins om hier politiek te bedrijven (dat moet men nog kunnen ook) dat wij een episode uit het parlementaire leven ter sprake brengen die ons iets doet zien van de vorming van een regering in een democratisch land als het onze. Wanneer wij daarbij dr. Colijn bespreken, geschiedt dit uit noodzaak, met de verzekering dat hij, al was hij niet de man van onze keuze, op ons altijd de indruk van strikte oprechtheid gemaakt heeft, een man die niet deed aan politiek van slechte kwaliteit. Deed hij verkeerd, wij moeten aannemen dat hij de dingen zag zoals hij ze bepleitte. In 1923 was de vlootwet verworpen; heel het relaas via de Standaard is nog in mijn bezit. Minister de Geer trad er om af. Want er was onenigheid in het kabinet. Een gelukkig debuut als minister heeft de Geer (die ik in een ander college heb meegemaakt) nooit gehad. Christelijk Historische mensen zijn altijd wat vaag in de politiek; zij zijn, zover ik ze ken, nooit belijnd. Dat zij minder roomsgezind zijn dan de antirev. is nog een van hun goede kanten.
Welnu, in 1925 trad een ministerie Colijn op. Er zat al heel de zomer een raar dingetje in de politieke sfeer, n.1. dat de Staatk. Gereformeerden bij monde van ds. Kersten in de Kamer hadden geprobeerd de gezant bij de Paus terug te laten roepen. Daar was in 1924 niets van gekomen al had ds. Kersten, die toen nog alléén voor de S.G.P. zat, ook duchtig zijn mondje geroerd. Nu kwamen de kamerverkiezingen van 1925 en die brachten de Hervormde ds. Zandt van Delft óók voor dc S.G.P. in de kamer. De verkiezingscampagne had zich dikwijls op dit gezantschap geconcentreerd; de S.G.P. groeide meer uit, trok ook meer mensen aan, zodat men op zn vingers uittellen kon, dat dit gevalletje nóg eens spelen zou, nu zij met twee man waren. Daar achter zat de mogelijkheid dat heel de coalitie van protestanten en roomsen uiteen kon spatten, want de roomsen zouden zulk een belediging nooit verdragen of dit voordeel laten schieten. En de Christ. Hist. begonnen last met liun mensen te krijgen, wie de oogjes open gingen. De A.R. hoopten er het beste van, zij bleven Rome trouw. Misschien zouden de R.K. nog wel zwichten.
Nu het eigenaardige. Colijn formeerde een kabinet alsof er geen vuiltje aan de lucht was. Hare Majesteit beëdigde de ministers, de kamers werden geïnstalleerd en het werk ving aan. Men kon er vast op rekenen, dat bij het hoofdstuk „Buitenlandse Zaken" een amendement zou worden ingediend door de twee predikanten, om de post der diplomatieke zendingen met ƒ 1.— te verlagen en dus de gezant btj de Paus weg te roepen. Die gulden moest de gezindheid van de kamer aantonen; verder kon men niet gaan omdat de koningin de buitenlandse betrekkingen regelt.
Zo men dacht gebeurde het. Maar dc kamervoorzitter was ook niet mis, hij doorzag het spel heel goed en was niet van plan een paar maanden dag en nacht in de begrotingsdebatten te zitten, terwijl dan ineens de kaars zou worden uitgeblazen. Dus hij week van de gewoonte af en stelde voor om maar eens te beginnen met het zevende hoofdstuk, Buitenlandse Zaken. Van Karnebeek kwam daar natuurlijk bij. Deze had in 1924 nog verklaard, dat men met het terugroepen van een gezant kalm aan moest doen. Maar nu zou 't anders lopen.
Men trok in het begrotings debat fel van leer. Gcnoetnde twee kamerleden legden hun amendement op de voorzitterstafel en hielden er een geduchte rede over. Het liet zich aanzien dat er botsing zou komen. De linkerzijde mócht clat wel, want die had helemaal een afkeer van van de rechtse samenwerking. Wat zouden de Christ.-Hist. doen? Zij konden er niet onderuit en verklaarden, dat nu eizulk een voorstel op tafel kwam, zij tot
hun spijt genoopt waren er vóór te stemmen, 't Kan verkeren, nietwaar, want jarenlang hadden zij het gezantschap goedgepraat. Men had in Rome nu een luisterpost! Maar iedereen moet erkennen, dat de Paus voor de beëindiging van de eerste wereldoorlog niets heeft gedaan. En in 1935 trok Italië nota bene tegen de Negus in Abessinië van leer. Met instemming van de „Heilige Stoel" die gaarne heel Eritrea rooms zag worden. Maar ter zake.
Wat zouden de roomsen doen? Mons. Nolens, kamerlid en fractieleider, verklaarde, dat aanneming van dit amendement de samenwerking met de voorstanders zou verbreken en de roomse ministers, vier stuks, zouden aftreden. Merkwaardig is dat van die zijde zelfs erkend werd, dat de „luisterpost niet zoveel om 't lijf had." Maar het ging om de Paus, die nu een gezant uit het geuze nl and bij zich had.
De vraag was ook: Wat zou v. Karnebeek raden? Deze was minister van Buitenlandse Zaken; een man van liberale inslag. En die vraag werd hem voorgelegd. De Christ. Historischen hoopten achter van Karnebeek nog weg te kunnen schuilen, maar dat ging niet. De spanning steeg tot ongekende hoogte in dc ver < > ader in a van 11 November, die o o ? tot diep in de nacht duurde. Welnu, minister van Karnebeek stond op en verklaarde, dat hij niet kon zeggen dat een gezant bij de Paus door het landsbelang geboden was!
Daar ging de kogel door de kerk en met 52 tegen 42 stemmen, werd het amendement der Staatk. Ger. aangenomen. En de voorzitter vroeg toen laconiek, of iemand nog stemming over het gehele hoofdstuk wenste. Direct trad het gehele ministerie af en het duurde tot het voorjaar van 1926 (!) eer de c.h. de Geer met een extra-parlementair kabinet optrad. Het „echte" is het met de rechterzijde nooit meer geworden, men viel van de ene ruzie in de andere.
Zo is toen het landsbelang een hele winter gewaagd aan een rooms belang. Thans doen zij met de socialisten mede en hangt de rest er zo maar wat bij.
Toen na die breuk van de coalitie alles openbaar kwam en men er eens rustig over ging denken, rees bij veel mensen toch de vraag, of de politieke adviseurs van H.M. de Koningin Haar niet eerlijk hadden moeten zeggen: Mevrouw, er komt niets van een christelijk kabinet, want er broeit een lelijk zaakje. Colijn zeide later: „neen; dat wilde ik niet. Ik wilde dat de onenigheid publiek uitgevochten werd, dan kon men ieders verantwoordelijkheid vaststellen in het openbaar."
Mij komt het voor, dat er nog wel andere middelen waren om die openhaarheid te dienen, bij voorbeeld een brede uiteenzetting in de A.R.-pers. Daar hadden de kiezers in die zomer recht op. Maar dan had men de gescheurde en gelijmde coalitievaas al te veel ten toongesteld. Toch vind ik maar dat de waarheid boven alles gaat.
Nu, de politiek is geoorloofd en goed, maar haar aldus te beoefenen op de ruggen cler kiezers, zoals Colijn toen deed bekoort mij niet en moet ook voor Hare Majesteit niet prettig geweest zijn. Voor 't overige, beste lezer, dat de Heere met ons land twist kunt ge wel zien. Dat Rome ons volledig overheersen zal geloof ik niet; maar dat het een grote rol speelt om ons te knechten, dat zie ik wel. Had dr. Knijper het ook maar gezien! Hij is door godvrezende mensen genoeg gewaarschuwd.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 26 november 1954
Daniel | 8 Pagina's