Nogmaals „de verloren zoon"
Thans van P. C. BOUTENS.
Behalve Gossaert, heeft ook P. C. Boutens een gedicht geschreven over de verloren zoon. Bij Gossaert domineerde dankbaarheid als grondtoon na het berouw sloeg hij de handen weer aan de ploeg om het leven anders en beter te gaan doen, en bleef het meer in de lijn van de parabel, zoals die in de Bijbel beschreven staat. Bij Boutens daarentegen horen we een sombere toon van weemoed, en de inhoud wijkt veel af van het Bijbelwoord. Bij Boutens, de zoeker van de Schoonheid, is de terugkeer van de verloren k zoon meer een terugkomen uit de opvlucht uit het onvolmaakt stoffelijke. Hier is het een terugval uit het platonisch
verlangen, waarover we het meer hebben gehad. De verloren zoon komt terug in een wereld, die hem niet begrijpt; de wereld is voor deze verloren zoon onwezenlijk. De balling wordt wel met liefde ontvangen, maar de balling wordt niet begrepen. Het is of Boutens uit een droom is wakker geworden:
Met de' eersten opslag van den morgen rijs ik wakker, En in verweerden spiegel van het venster schouw Het schemerschamel beeld van tuin en bosch en akker, Naakt onder 't dunne licht en huiv'rend van den dauw.
Als in een doolhof keerde ik weder op mijn schreden. De ruim gevierde vrijheid werd het strakke koord Waarvan de snoeren, door mijn vingeren gegleden, Mijn voeten hierheen bonden als de naald naar 't Noord.
Hij moest terugkeren naar de plaats van uitgang, zoals het kompas, hoe ook gedraaid, telkens weerkeert naar het noorden. Het terugkeren is echter een ontgoocheling geworden, want:
Lagen niet hier mijn wein'ge toevertrouwde ponden Gezwachteld in den zweetdoek van mijn wrang verzet? Welk ander kwam mij voor en heeft den schat gevonden? En uitgeglommen kolen in zijn stee gebed?
Iemand heeft de schat van hem geroofd en nu staat hij met lege handen. Let op het verleden deelwoord „gebed": een bed gegeven; sintels zijn in de plaats van de schat neergelegd.
Als we de, drift van onze opstandige natuur volgen, dan komen we jammerlijk uit: wij zijn steeds te vroeg of te laat, en daarom zijn de vruchten van de daad óf overrijp óf onrijp, nooit op het geschikte uur geplukt. Boutens beschrijft dit aldus:
Wat dwingt de watervlotte drift van onze zielen In de' omweg van bedrog en schijn, dat steeds te laat Wij jammeren waar overrijp of onrijp vielen, Nooit op Gods uur geplukt, de vruchten van de daad?
De lompen zijn van hem afgenomen en hem is een feestkleed aangetrokken, maar hij weet zich toch niet te bergen voor de blikken van de omstanders:
Gelijk een zwemmer die zijn kleêren vindt gestolen, Zoo sta ik hulp'loos naakt en weerloos aan de kant, Onder de vlammepijlen die ik had ontscholen En als een dor riet smeul ik weg voor vreemden brand.
Waar zal ik mij verschuilen? Of waarmee mij dekken? De lompen van mijn schaamte namen zij mij af. Naakt blijf ik voor den teed'ren honger hunner blikken in 't bonte feestkleed dat hun overmoed mij gaf.
De omstanders betonen liefde en ze hebben medelijden, maar de balling zelf voelt zich als een verdroogde stam:
De wort'len van hun liefde hebben mij gevonden, En op mijn hartbloed als op olie teert haar vlam. De geestdrift van hun deernis koestert mijne wonden Als kostelijke rozen aan verdroogden stam.
De dichter spreekt nu zijn hart aan, dat in lediggang is uitgebroken om liefde te veroveren, maar dat nu zijn onmacht moet leren inzien en zich moet overgeven aan het onvermijdelijke en onbereikbare. De omstanders zullen de weergekeerde niet begrijpen, want hij heeft iets eeuwigs ontvangen; een ander zal de liefde ontvangen; de dichter is onwaardig:
O hart dat zelf uw deel van liefde ging veroovren, Dat vroeg verwend losbrak uit weeldes lediggang, Zie in uw onmacht, geef u zonder weerstand over, een Ree offerdier dat in zijn tooi vergeet den dwang.
Draag onverwoord uw waarheid die zij niet bevatten — Wie die iets eeuwigs wint, is meer dan tussending? — Dat al de oneind'ge goedheid die ze u waardig schatten, Door uw onwaardig zelf heen naar een ander ging.
We zien zo vaak, dat dichters Gods Woord gebruiken om er een andere wending aan te geven: wijzer willen zijn dan God. Hoe eenvoudig heeft de Heere Jezus gepredikt, dat voor weggelopen zonen, die tot waarachtig berouw komen, een Vader staat met uitgebreide armen om ze niet als huurlingen, maar als zonen op te nemen in Zijn huis.
Als Boutens, met de grote gaven, die hij ongetwijfeld bezat, dit uit de parabel had benadrukt, wat zou er een schoon gedicht zijn ontstaan! Niet alleen naar vorm, maar ook naar inhoud!
INDEX.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 12 november 1954
Daniel | 8 Pagina's