JBGG cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van JBGG te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van JBGG.

Bekijk het origineel

VRAGENBUS

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

VRAGENBUS

6 minuten leestijd

f Correspondentie voor deze rubriek aan: I T. MOLENAAR, Leede 18. Rotterdam-Zuid

A. J. te M. heeft mij een lange brief geschreven en nog al wat lectuur. Wat is er eigenlijk aan de hand?

Hij komt nogal eens in aanraking met een man, die onder invloed staat van een adventistisch predikant. Deze ds. leert de sterfelijkheid van de ziel. Wat moet A. J. te M. daarop nu antwoorden?

Antwoord. te zeggen. Ik wil proberen er iets van

In Zondag 22 van de Heidelbergse Catechismus wordt op de vraag: „Wat troost geeft u de opstanding des vleses", dit antwoord gegeven: „Dat niet alleen mijn ziel na dit leven van stonden aan tot Christus, haar Hoofd zal opgenomen worden", enz.

Door de zonde worden ziel en lichaam gescheiden. Het lichaam keert weder tot stof, waaruit het gemaakt is, maar bij de dood sterft niet alles wat aan de mens is, al wensen velen, dat „dood is dood". De Heere Jezus heeft het zo nadrukkelijk gezegd: „Vreest niet voor degenen, die het lichaam doden en de ziel niet kunnen doden, maar vreest meer Hem, Die beide, ziel en lichaam kan verderven in de hel".

Nu dringt zich de vraag op, als het lichaam ontzield daar neder ligt: „Waar blijft bij het sterven de ziel? ' Tal van antwoorden zijn op deze vraag gegeven omdat men voor het Woord Gods niet buigen wilde.

Onder de heidenen had men dodenbezweerders, die in Israël niet mochten bestaan. Dit kwaad sloop echter Israëls veste binnen. Ik behoef U maar te herinneren aan de geschiedenis van Saul te En dor. Tegenwoordig spreekt men van zieleslaap en van zielsverhuizing. Op zichzelf zijn deze theorieën dwaas en bezien in het licht van Gods Woord zijn ze gruwelijk en door ons steeds te vlieden. Met volkomen zekerheid leert ons Gods Woord tot troost van al Gods kinderen, dat hun ziel na dit leven van stonden aan tot Christus hun Hoofd, zal opgenomen worden. Dit bewustzijn en de begeerte daarin deed Paulus zeggen: „Want ik wordt van deze twee gedrongen, hebbende begeerte, om ontbonden te worden en met Christus te zijn; want dat is zeer verre het beste. Maar in het vlees te blijven, is nodiger om uwentwil."

Asaf zegt: „Gij zult mij leiden door Uw raad en daarna zult ge mij in heerlijkheid opnemen", en dat zal van stonden aan zijn. Een vagevuur is er niet, zoals Rome leert, omdat er geen bewijs voor is in de Heilige Schrift en Gods volk ook geen reinigingsproces van node heeft. De moordenaar aan het kruis ontving op zijn vraag van de Mond der Waarheid dit antwoord: „Heden zult gij met mij in het Paradijs zijn." Van Lazarus lezen wij, dat zijn ziel gedragen werd in Abrahams schoot, dat is in de hemel. Stefanus, wiens aangezicht straalde van hemelse vreugd, riep stervende: „Heere Jezus, ontvang mijn geest."

Nog een bewijs wil ik noemen. De Sadduceën loochenden de opstanding. Zij zeiden „Dood is dood." Maar wat zegt de Heere Jezus? „God is niet een God der doden, maar der levenden." Daarom wordt Hij genoemd de God Abrahams, Izaiiks en Jacobs. Er zou over deze kwestie veel te schrijven zijn, maar daar leent zich deze rubriek niet voor. V J Kort samengevat kunnen we dus zeggen, clat de ziel onsterfelijk is, dat deze tot God keert, Die haar gegeven heeft. Bij de dood valt ook cle beslissing. Sterven we onbekeerd, dan gaan we verloren, dan is onze plaats daar, waarvan Gods Woord getuigt, dat cle rook deipijniging zal opgaan tot in eeuwigheid. Zijn we echter in dit leven tot God bekeerd geworden, dan mag ons lichaam wel is waar tot stof wederkeren, zoals het geweest is, maar onze ziel zal evenals cle ziel van cle arme man worden gedragen in de hemel der heerlijkheid, om straks verenigd met het lichaam, dat nog rust in de schoot der aarde te bewonen cle nieuwe hemel en de nieuwe aarde.

Zalig hij of zij, die iets kent van de begeerte van Paulus.

A. R. te K. schrijft: In onze kerk wordt het dragen van cle lange broek voor vrouwen afgekeurd met aanhaling van

de tekst uit Deut. 22 : 5, waar we lezen: Het kleed eens mans zal niet zijn aan een vrouw, en een man zal geen vrouwenkleed aantrekken; want al wie zulks doet, is de Heere uw God, een gruwel." Maar nu vraag ik me af of zo'n tekst wel op ons van toepassing is. Immers wordt deze tekst gelicht uit de „burgerlijke wet" voor de Israëliet, die voor ons moeilijk is toe te passen. Dan zouden we de gehele B.W. op ons moeten gaan toepassen, en als u dan verder gaat lezen, zult u zien, dat we dan toch in conflict komen.

Antwoord. De burgerlijke wetten waren inderdaad van toepassing op het volk Israël, zoals dat leefde onder het Oude Testament. Maar dat betekent niet, dat er bevelen bij waren, die ook ons niet zouden gelden. Er is veel, dat uitsluitend zag op de Israëliet, maar er zijn ook zaken in genoemd, die voor alle eeuwen van kracht blijven. Zo ook deze tekst, omdat deze verordening beveelt de eerbaarheid in het algemeen, waar God het gevaar wil voorkomen, dat de vrouw de moed zal grijpen, om haar zedigheid uit te schudden, of de man tot een wekelijkheid zich begeve, die zijn natuur onwaardig is.

Calvijn merkt op: Hoe men gekleed is, is op zichzelf niet een zaak van zo groot gewicht, maar dewijl het schandelijk is, dat de mannen verwijfd worden, evenals het schandelijk is, dat de vrouw haar kracht zoekt in mannelijke kleding en gebaren, daarom wordt hier een ingetogen en eerbare wandel voorgeschreven niet slechts, omdat het betamelijk is, maar opdat geen enkele soort van toegevendheid eindelijk iets slechts doe ontstaan. De beste wacht voor de eerbaarheid is derhalve de eerbare vorm der kleding.

Matth. Henry merkt bij deze tekst op: „De wet verbiedt het door-elkandermengen van de neigingen en zaken der seksen; mannen moeten niet verwijfd wezen, noch het werk der vrouw in huis doen; en de vrouwen moeten geen halve mannen zijn, niet willende leren en over de man heersen.

Dit dooreenmengen van klederen werd waarschijnlijk gebruikt om ontucht te plegen, en is daarom verboden; want zij die bewaard willen worden voor de zonde, moeten zich ver houden van alle gelegenheid er toe of hetgeen er toe leiden kan."

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 29 oktober 1954

Daniel | 8 Pagina's

VRAGENBUS

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 29 oktober 1954

Daniel | 8 Pagina's