JBGG cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van JBGG te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van JBGG.

Bekijk het origineel

Kerkgeschiedenis

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Kerkgeschiedenis

4 minuten leestijd

In ons vorig artikel schetsten wij de toestanden te Genève, vóór de komst van Calvijn.

De moeilijkheden bleven voor Farel groot. De hertog van Savoye trachtte nog steeds het verloren terrein te herwinnen, de overgebleven Roomsen hoopten vurig op de terugkeer van de bisschop en de vele z.g. Gereformeerden hielden er een „geloof" op na, dat, naar het woord van Farel, bestond „in het haten van de priesters en het op de vastendagen vlees eten." De goede man kon er met al zijn vurige ijver niet tegen op en hij smeekte God om hulp in deze nood.

Aan Calvijn dacht hij natuurlijk niet; al had hij van de beroemde schrijver van de institutie wel gehoord. Daar, hoort hij op zekere dag, dat Calvijn in de stad is gearriveerd. Hij is op doorreis naar Bazel en zal maar één nacht in Genève blijven.

Maar de Koning der Kerk beschikt het anders. Voor Farel is het een hoopgevende tijding, een licht in zijn duisternis. Hij spoedt zich naar het logement en vindt daar de jonge, bescheiden geleerde. Hij schetst hem de grote, geestelijke nood der stad en smeekt hem daar te blijven als medearbeider. Maar Calvijn weigert pertinent. Hij wil naar Bazel; hij wil daar rustig studeren na al zijn zwerven. Hij voelt zich bovendien jong, te onbekwaam voor dat grote werk.

Uren zitten zij bij elkaar, maar de jongeman is onverzettelijk.

Dan gaat Farel voor hem staan en buldert hem toe: „In de Naam van de almachtige God zeg ik u, dat de studie een voorwendsel is; als gij weigert u aan dit werk van God te geven, dan zal God u vervloeken."

Calvijn is verpletterd. Hij schrijft later,

dat het was, of God Zelf door de mond van Zijn dienstknecht tot hem sprak. Hij durfde geen tegenstand meer bieden, maar bleef en gaf zich voor het werk.

Weldra zou hij er de erkende leider zijn.

Calvijns eerste verblijf te Gerieve (1536-1538).

Calvijn was, zoals wij schreven, een beseheiden jongeman. Hij stelde zich niet op de voorgrond.

Maar de Heere had in deze stad een groot werk voor hem weggelegd; daarom kon hij niet verborgen blijven. In de eerste tijd viel hij niet op. Hij werd aangeduid als „ille Gallus" (— die Fransman).

Natuurlijk was hij niet werkeloos. Hij was „lecteur en la Sainte Ecriture", dwz. hij moest in de St. Pieter de Heilige Schrift uitleggen.

Hij begon met de brieven van Paulus. Zijn honorarium bedroeg de kapitale som van niemendal! Farel moest na 5 maanden de Raad er attent op maken, dat hij er was. Calvijn kreeg toen wel een beloning, maar 't was een schijntje.

Onverwacht zou hij echter voor het voetlicht treden. In de nabijheid van Gelieve lag de stad Lausanne. Deze plaats was door Bern in de oorlog met de meer genoemde hertog van Savoye veroverd. Hier werkte de bekende Viret. De Raad der stad trok er zich echter niets van aan, of de mensen naar de preek of naar de mis gingen.

Dat zou echter veranderen. Viret vroeg aan de Raad een dispuut te mogen houden en Farel zorgde voor de nodige stellingen.

Dit dispuut werd gehouden in de Kathedraal ter plaatse van I tot 8 Oetober 1536.

De stellingen gingen over de rechtvaardiging des zondaars voor God, alleen door het geloof; ontkenning van de werkelijke, lichamelijke tegenwoordigheid van Christus in het misoffer, enz.

Alleen Farel en Viret waren aanvankelijk de opponenten; Calvijn zweeg. Het dispuut was al enkele dagen aan de gang, toen een geestelijke opstond en de Protestanten verweet, dat zij afweken van de leer der kerkvaders, vooral inzake de lichamelijke tegenwoordigheid van Christus in het misoffer.

Farel had zo gauw geen tegenweer. Toen stond Calvijn op en toonde uit de kerkvaders aan, dat niet de Protestanten, maar Rome zelf van dezen afweek.

Met hele stukken uit een preek van Chrysostomus, uit Tertullianus en Augustinus — zo maar uit het hoofd geciteerd — bewees hij dat.

Men was in de kerk versteld over die jongeman. Het resultaat was te verwachten. De Roomsen dropen af en Lausanne met omgeving koos voor de Hervorming. Een Fransiscaner monnik stond op, beleed, dat dit de waarheid was en legde zijn ordekleed af, om voortaan als Christen te gaan leven.

Met één slag was Calvijn bekend. De kerk stroomde vol als hij optrad. Nu kon de reformatorische arbeid eerst recht beginnen. In feite was hij van nu af de leider.

Half Januari 1537 zonden Calvijn en Farel aan de Raad van Genève hun „artikelen betreffende de organisatie van de kerk en van de eredienst."

De Raad aanvaardde deze artikelen, behalve dat van de wekelijkse Avondmaalsviering. Dit werd veranderd in een drie maandelijkse. Een strenge kerkelijke tucht werd ingevoerd.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 15 oktober 1954

Daniel | 8 Pagina's

Kerkgeschiedenis

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 15 oktober 1954

Daniel | 8 Pagina's