Verkiezing en verwerping
(6)
Het is tot recht verstand van het stuk der uitverkiezing zo dringend nodig, dat we vasthouden aan de belijdenis, dat we verloren zondaren zijn, en dat alleen verloren zondaren voorwerp der uitverkiezing zijn.
De schijnbare hardheid van deze leer verdwijnt voor ons oog, als we maar de diepte zien, waarin we door onze afval zijn neergestort. Als we onszelven beschouwen als mensen, die blank en schuldeloos voor God staan, die wel een rechtsgeding met de Heilige aandurven, ja dan is er in de leer der verkiezing niets, dat ons kan aanlokken, dan schrikt ze ons af, en doet ons wreed en hardvochtig denken over de souvereine God. Maar hebben we eenmaal onszelf leren kennen bij liet licht des Heiligen Geestes, en wel zó, dat we onze algehele verdorvenheid leerden onderschrijven, dan wordt het zo gans anders.
Van nature ziet de mens niet, dat hij verloren is. Ook de godsdienstige mens wil daar niet aan. Hij wil hoogstens erkennen, dat hij misschien in de toekomst verloren kan gaan; maar dat hij het reeds is van zijn ontvangenis af, daaraan denkt en gelooft hij niet.
Het is ook heel begrijpelijk, dat we onze verlorenheid zo maar niet erkennen willen. Immers de zonde heeft ook dit vreselijke gevolg, dat ze de mens geestelijk afgestompt heeft; hij ziet de dingen niet meer, zoals ze in waarheid zijn, maar hij stelt zich tevreden met een waanbeeld, dat hij zichzelf vormt; en dat door de vader der leugenen hem wordt voorgehouden. De zonde heeft ons verstand en ons gemoed zó vertroebeld, dat we onze eigen treurige staat niet in klaarheid en helderheid kunnen zien. We wanen ons altijd nog meer te zijn, dan in werkelijkheid het geval is. Geen wonder dus, dat het natuurlijk hart er niet aan wil, om toe te stemmen, dat de mens van nature geheel verloren ligt, en geen hand tot zijn eigen redding kan uitsteken. Daar komt nog iets bij. De Heere heeft in Zijn algemene goedheid, waardoor Hij Zijn zon doet opgaan over bozen en goeden, en regent over rechtvaardigen en onrechtvaardigen, nog zoveel natuurlijk goeds op de aarde gelaten, dat de mens ook daaruit de conclusie trekt, dat hij niet algeheel verloren is. Hij kan nog zoveel goeds doen, en nog zoveel bereiken in dit leven; hij wendt de natuurlijke gaven Gods aan om een flinke positie in dit leven te verkrijgen; wat hij onderneemt, gelukt hem dikwijls zo buitengewoon gemakkelijk, dat hij uit al die voorspoeden allicht de gevolgtrekking maakt, dat hij een wezen is, dat nog wel wat kan, als hij zijn krachten slechts inspant. En zo wordt de gave Gods door hem misbruikt; en ziet hij Gods algemene goedheid vaak aan voor eigen deugden. En ook dit maakt hem stekeblind om te zien hoe diep hij verloren ligt in de poel der ellende.
Maar toch, mijn lezers, nóch Gods algemene bemoeienissen met het mensdom, nóch de afstomping van ons verstand, kunnen het schrikkelijke feit ongedaan maken, dat we werkelijk geheel en al verloren zijn; niet in de toekomst, maar nu, vandaag reeds, ja, vanaf het uur, dat we in het aanzijn werden geroepen. En als we nu door de onderwijzing des Heiligen Geestes, zover mogen komen, dat we onze algehele verlorenheid leren inzien en hartgrondig toestemmen, zie, dan verdwijnt ook het schrikbeeld van een uitverkiezing. Dan zeggen we niet langer: „Zonder uitverkiezing zou ik wel kans zien om zalig te worden; doch nu er een uitverkiezing is, is het hoogst twijfelachtig of ik er wel ooit komen zal. „Neen, dan gaan we juist andersom redeneren en belijden uit het diepst van ons hart: „Zonder uitverkiezing zou ik zeker en gewis in mijn verlorenheid blijven liggen; maar nu er, Gode zij dank, een uitverkiezing is, nu zie ik in dit eeuwige besluit Gods nog de enige reddingsmogelijkheid."
„Zonder uitverkiezing dan is er geen weg om zalig te worden, want mijzelf kan ik uit de poel niet ophalen; maar door de uitverkiezing is het anders geworden; want nu zie ik, dat er bij de Heere gedachten des vredes over de mensenkinderen in Zijn Goddelijk hart zijn geweest, reeds van eeuwigheid af, en daarom zal ik het van die verkiezende liefde Gods, en daarvan alleen, blijven verwachten! Zolang er adem in mij is. zal ik hopend en verlangend naar die verkiezing Gods het oog richten, want alleen van die zijde is er redding en verlossing mogelijk voor een diepgevallene, als ik ben."
Mochten wij allen ons zó als verloren zondaren leren zien en ook als zodanig de verkiezing Gods beschouwen!
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 oktober 1954
Daniel | 8 Pagina's