Onze eigendom
(Vervolg)
Tijdens zijn omwandeling op aarde heeft de Heiland door gelijkenissen aangetoond, dat de mens als rentmeester is aangesteld over de goederen van zijn hemelse vader. Christus heeft nimmer gezegd, dat de mens geen aardse bezittingen mag hebben, maar heeft wel steeds gewaarschuwd eerst schatten te verzamelen in de hemel. Zelf had hij geen aardse eigendommen. Hij riep immers uit: „De vossen hebben holen, de vogelen des hemels nesten, doch de zoon des mensen heeft niet, waarop hij zijn hoofd kan neerleggen.
Wij zien dus duidelijk, dat het hebben van eigendommen, of anders gezegd, het bezitten van een aanstelling tot rentmeester zuiver schriftuurlijk is. De stelling van de anarchist Proudhon (1809— 1865), dat de eigendom diefstal is, kunnen wij daarom gevoeglijk van de hand wijzen, hoewel wij ons niet ontveinzen, dat er veel eigendom is, dat als gestolen goed moet worden gebrandmerkt. Er kunnen immers omstandigheden zijn 1. ...« t. '. 4*; n iM •• V. •'J.. — denk aan oorlogen en natuurrampen — dat de mens al gauw geneigd is het spreekwoord: „Waar allen stelen is niemand een dief" te hanteren.
Met het goed, dat God ons eerst heeft toevertrouwd, moeten wij God en onze naaste dienen. Het bezit is de mens gegeven als leengoed, ten aanzien waarvan hij de verantwoording schuldig is aan God. Tegenover God als oppereigenaar heeft de mens slechts een afgeleide eigendom.
De Gever van het bezit beschermt het gegevene door middel van het achtste gebod, dat ons het stelen verbiedt. Ditzelfde gebod gebiedt ons, dat wij het nut van onze naaste bevorderen. Wij moeten zonder mopperen afstand kunnen doen van hetgeen God ons geschonken heeft. De eerste christenen te Jeruzalem hebben getoond dit te kunnen. Zij verkochten hun akkers en gaven de opbrengst aan de apostelen ter verdeling onder de armen. Men pleegt om deze reden te spreken van het communisme van de eerste christengemeente. Dat men bij deze uitdrukking niet mag denken aan het economisch bestel in het huidige Rusland, blijkt wel hieruit, dat dit bij-
eenbrengen van alle goederen geheel vrijwillig geschiedde. Het verdere verloop der geschiedenis heeft wel bewezen. dat hun daad niet geheel en al gelukkig is geweest. De gemeente van Jeruzalem behoorde later tot de sterk noodlijdende gemeenten, waarvoor in de andere christelijke gemeenten inzamelingen moesten worden gehouden. Ongetwijfeld zijn er ook in onze dagen, bij wie de bereidheid aanwezig is hun aardse goederen los te laten, doch hun aantal zal in verhouding tot het kwantum bezitters niet groot zijn.
Wezen wij de stelling van Proudhon af, hetzelfde zullen wij moeten doen met artikel 17 van de algemene verklaring van de rechten van de mens van 10 December 1948, dat verklaart: „Ieder mens heeft, alleen of gezamenlijk met anderen, recht op eigendom." Verstaat men hieronder, dat het instituut van de eigendom als zodanig niet is af te keuren, dan kunnen wij daarmede instemmen. Wil men er echter een absoluut, dit is tegen een ieder te handhaven, recht op eigendom mee aanduiden, dan moeten wij dat afwijzen. Wij mogen toch de beschikking over eigendom alleen maar zien bij het licht van Gods woord en niet vanuit het standpunt van het humanisme, dat immers in donkerheid wandelt. Het is geheel in overeenstemming met artikel 36 van de Nederlandse geloofsbelijdenis, dat de overheid de bezitsvorming in de hand werkt door subsidies te verlenen, zoals b.v. krachtens de woningwet en de landarbeiderswet. Op deze manier kan de economisch zwakkere de hand worden gereikt. De particulier behoort cle staat echter voor te gaan. Speciaal op het gebied van het armwezen is dit het geval. De juiste volgorde is, dat eerst tot hulp verplicht zijn de naaste familieleden. Willen of kunnen deze hun plicht niet nakomen, dan is de kerk de aangewezen instantie om hulp te bieden. De taak van de staat blijft dan nog hierin bestaan, dat hij hen voor de hongerdood behoedt, die niet bij enig kerkgenootschap zijn aangesloten. Van het feit, dat in vele gevallen de particulier, de kerk en de staat zijn tekort geschoten, getuigt wel de opkomst van het socialisme en communisme.
In Juni 1948 heeft de regering een commissie ingesteld onder voorzitterschap van de enige maanden geleden overleden Tilburgse hoogleraar dr M. J. H. Cobbenhagen, welke o.m. tot taak heeft advies uit te brengen omtrent de vraag of. en in hoeverre, het in beginsel op de weg van de overheid ligt uit een oogpunt van bezitsspreiding en van redelijke verdeling van het inkomen in deze verdeling in te grijpen. Deze commissie heeft na ruim zesjarige arbeid nog geen advies uitgebracht. De verwachting is gewettigd, dat zij de gestelde vraag bevestigend zal beantwoorden, en daarbij zal aangeven in welke richting de overheid zal moeten werken. Ongetwijfeld zal worden geadviseerd nog meer invloed te gaan uitoefenen op de inkomens verdeling.
Vrijwillige armoede zou men zich kunnen verkiezen teneinde zich beter aan de oplossing van grote problemen te kunnen wijden. Men mag dit standpunt echter niet aan anderen opdringen. Een ander uiterste is het „huis aan huis en akker aan akker trekken", waarover een „wee" van de hemel wordt uitgesproken.
Intussen wil ik niet pretenderen in dit artikel een afdoende oplossing te hebben gegeven van het uitermate moeilijke probleem. De oplossing is gelegen in de samenvatting van de wet des Heeren, nl. God lief te hebben boven alles en onze naaste als onszelf. Zo ooit, dan moeten wij daarnaar zeker handelen in deze zo materialistisch gerichte tijd.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 oktober 1954
Daniel | 8 Pagina's