ACHTER DE SCHERMEN
Geen wetgever, maar leidsman
Langzamerhand hebben we wel leren inzien, dat het werk van een zendeling heus geen liefhebberijtje of een goed baantje is, maar dat het werk van de zending de hele persoonlijkheid vraagt, dat we ons wel geroepen dienen te weten door de grote Zender om steun en houvast te hebben in de vele en moeilijke situaties. Van zeer groot belang is ook. dat een zendeling ter zijde wordt gestaan door een vrouw, die notie heeft van het omvattende en verantwoordelijke van de arbeid in het zendingsgebied. Kruyt heeft wel eens gezegd. „Een tweederangs zendeling wordt door een ware zendelingsvrouw een goede kracht in Gods koninkrijk. En is hij van nature met hart en ziel zendeling, dan wordt hij door een goede zendelingsvrouw een dubbele kracht."
De vorige maal hebben we door middel van een brief van Kruyt van zijn vrouw een kijkje kunnen nemen achter de schermen en gezien, welke krachten daar onopgemerkt werken aan de uitbreiding van het koninkrijk Gods. Om daar nog meer van te weten te komen, zullen we nog een gedeelte van een brief van Kruyt overnemen. De zendeling schrijft dan:
„Toen je naar Java was voor enkele maanden, meenden velen, dat ze nu niet meer geholpen konden worden voor hun kwalen. Ik herinner me nog dat vrouwtje, dat vond, dat je zo lang wegbleef, en die naar je terugkomst verlangde, omdat ze dan medicijn zou kunnen vragen voor de hoofdpijn, waarvan ze al enige dagen last had. Ze was heus verbaasd, dat ik haar óók kon helpen. In de tijd, toen ik Kasigoentjoe waarnam, leek het wel de omgekeerde wereld te zijn. Je kende de mensen van Pendolo veel beter dan ik, en omtrent verschillende dingen, waarmee men tot mij kwam, moest ik eerst aan jou vragen: Hoe zit dit toch in elkaar?
En dan vreesde je met je lege tijd geen raad te weten! Het werd je wel eens te machtig, al die bezoekers, groot en klein, maar je gaf je altijd geheel aan hen, je had altijd tijd om voor hen op het orgel te spelen en voor hen te zingen. Het begon er heus veel op te lijken, dat je helemaal geen tijd voor je zelf zou overhouden en daarom was het maar goed, dat je gauw een regeling invoerde, 's Morgens vroeg de zieken, om half zeven de naaischool, en dan daarna de mensen, die iets nodig hadden tot twaalf uur.
Gewoonlijk bleven de mensen met je praten: je hoorde op deze wijze van allerlei toestanden in het dorp, van de praatjes die er gingen, van de onenigheden, die er heersten. Je kon daardoor een diepe blik slaan in het huiselijke leven der mensen en daardoor bracht je mij ook nader tot hen. Wat heeft jouw arbeid mijn herderlijk werk verlicht! Want als nu iemand, die we gedurende enige tijd niet in de bijeenkomsten hadden gezien, je iets kwam brengen, dan gaf dit je vanzelf aanleiding om eens te vragen naar de reden van dit wegblijven, en je kon ze opwekken om niet nalatig te worden.
Wat heb je niet vaak met vrouwtjes gesproken, die nog niet lang gehuwd waren, en die onenigheid met haar man hadden! Ik twijfel er niet aan, of ook jouw medewerking in deze heeft verscheidene jonge paartjes bij elkaar gehouden, die anders misschien uiteen zouden zijn gegaan.
Misschien zou de taak je nog te zwaar zijn geworden, wanneer we onze avonden niet hadden gehad. Wanneer we onze wandeling hadden gedaan en de zon was ondergegaan, dan kwamen we in een andere wereld, dan waren we onder elkaar; dan konden we ons sterken met Gods Woord en gebed. Dan las ik je voor uit een boek of uit tijdschriften en dan voelden we ons verplaatst in onze eigen wereld, waaruit we straks weer met nieuwe moed in die der Possoërs konden treden.
Hoe vaak is het niet gebeurd, dat we met een bezwaard hart ons gesprek begonnen, maar onder het spreken zoveel lichtpunten zagen, en ons vertrouwen op God zo versterkt werd, dat we met een opgelucht hart naar bed konden gaan."
Het was voorwaar een heugelijke gebeurtenis, toen de eerste Christenen werden gedoopt en men kon zien, dat het niet steeds ploegen op rotsen was geweest. Onwillekeurig zou men geneigd zijn te denken, dat men er nu wel was: de eerste vruchten waren te zien, en nu zou alles wel vanzelf lopen, zonder hindernissen. Het was echter verre van-
daar. Zendeling Kruyt begreep heel goed, dat nu juist de moeilijkste tijd zou aanbreken. De jonge Christenen zouden in den beginne alles doen wat de zendeling zou voorschrijven, maar Kruyt wilde geen wetgever zijn. Hij snapte, dat na enige tijd de reactie zou volgen op het „raak niet en smaak niet". Zeer voorzichtig moest hij te werk gaan. De lijn kon niet direct strak aangehaald; die zou mettertijd toch breken. Het moeilijkste gedeelte van Kruvts taak was nu aangebroken: goede leiding geven aan de jonge Christenen. Er deden wonderlijke verhalen de ronde: mocht je als Christen nog wel een hoofddoek dragen? Zou men gedwongen worden om varkensvlees te eten?
Kruyt was niet van plan om met een lijst te komen van allerlei dingen, die de Christenen niet mochten doen. Toch kon hij ze niet overlaten aan het goeddunken van hun hart: die het zonde is, die is het zonde. Er moesten richtlijnen komen,
Met drie voorname dingen uit het heidendom moest radicaal gebroken: naar de priesteressen mocht niet meer geluisterd. Deze trachtten de verloren geraakte zielen der mensen terug te halen. Verder moest men wars zijn van de offers, die in het geestenhuis werden gebracht en in verband stonden met de dorpsgeesten. Tenslotte mocht men niet te doen hebben met de dodenoffers die een verering beoogden van de voorvaders.
Kruyt moest oprecht als de duiven en listig als de slangen zijn.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 17 september 1954
Daniel | 8 Pagina's