EERSTE VRUCHTEN
EEN BLIK IN DE ZENDINGSARBEID
Na vele teleurstellingen en wederwaardigheden in het Toradjaland, kwam ook een tijd van grote blijdschap. Op zekere dag had zendeling Hofman voor een groep mensen een vertelling gedaan uit de Bijbel. Welk een verrassing voor hem, toen na afloop van de bijeenkomst een oud stamhoofd opstond en bekend maakte, dat hij Christen wou worden, en zelfs zijn stamgenoten aanspoorde hetzelfde te doen. Dit stamhoofd was Papa i Woente, die al vroeg vriendschap met zendeling Kruyt had gesloten, maar die nog nooit openlijk voor het Christendom was uitgekomen. Geruime tijd had hij over het Evangelie nagedacht, en zie, nu moest het naar buiten openbaar worden.
Het Kerstfeest van het jaar 1909 brak aan, en op deze dag zou het stamhoofd gedoopt worden. Tientallen anderen zouden het voorbeeld volgen. Zendeling Hofman zou de plechtigheid verrichten, maar door ziekte was hij verhinderd. Nu ging er een uitnodiging naar Kruyt. Hofman schreef: „Het enige — en dat is niet weinig — wat mij in deze zaak verblijdt en vertroost is de gedachte, dat juist gij kunt komen helpen, want nu mogen én hij, die de fondamenten gelegd heeft én hij, die op die fondamenten het huis heeft mogen optrekken, samen het geheel onder de kap brengen."
Na de doopsbediening werd een gezamenlijke maaltijd gehouden, tijdens welke zendeling Kruyt een lang gesprek had met het stamhoofd. Papa i Woente sprak: „Lange tijd wilde ik me niet aari God gevangen geven. Ik was als de gespannen lat van een springlans: nu eens gespannen, dan weer los, maar nooit wierp ik de lans door mijn veerkracht weg. Ik dacht steeds aan mijn familie, die niet met mij mee wilde, en voor wie ik gewend was de offers te brengen en de godsdienstige aangelegenheden te beredderen. En toen het Gouvernement gekomen was, zei ik: nu is de zaak in orde, nu leven we allen in vrede met elkaar. Maar ik voelde, dat het waar is wat de zendeling zei: deze vrede is alleen voor dit leven, wat moet er met uw ziel gebeuren, wanneer ge u niet aan God gevangen geeft. En nu heb ik gezegd: het moet, ik moet mij aan de levende God overgeven; ik mag niet meer omkijken naar mijn familie, die niet mee wil. En nu heb ik mij overgegeven. Ik heb mijn hart op God gesteld."
Enige tijd na de verlofperiode van het echtpaar Kruyt, waren verscheidene posten in de omgeving waar Kruyt het pionierswerk had verricht goed bezet. De ijverige Kruyt gaf te kennen gaarne het zendingsterrein uit te breiden. Hij ging zich nu vestigen te Pendolo, aan de zuidkust van het Posomeer gelegen. Hier kon ook zijn vrouw veel werk verrichten. De drie kinderen hadden ze in Holland achter gelaten, dus daarover behoefde mevrouw Kruyt zich geen zorgen te maken.
Om een idee te krijgen van het veelomvattende werk van een zendeling en van de opofferingen, die een zendelingsvrouw zich. moet laten getroosten, laten we een gedeelte horen uit een brief van Kruyt.
Hier volgt het: „Wat hebben we vaak tot elkaar gezegd: Hoe goed, dat God de toekomst voor ons verborgen houdt! Want als je van te voren geweten had, wat je te wachten stond, hoeveel zwaarder zou de strijd je gevallen zijn om weer terug te gaan naar Celebes. Maar toen je teruggekomen was en je in je verwachting werd teleurgesteld, heb je alles weer uit Gods hand aanvaard, en je er moedig doorheen geslagen. Het leek er niet naar, dat ik veel bij je kon zijn! De toestanden in het land waren geheel veranderd. Het Nederlands-Indisch Gouvernement had bezit genomen van het land, waardoor de mensen in een positie waren gekomen, waarin ze wel gedwongen waren, rekening met ons
te houden. Het land was geopend en overal wilde men onderwijzers hebben. Ik moest telkens op reis om het land te erkennen, om te bepalen, waar onderwijzers zouden worden geplaatst.
Ik moest altijd een paar maal naar de Berglandschappen, tochten, die altijd zes weken namen. En toen de zaken weer geregeld waren en een paar nieuwe zendelingen te hulp waren gekomen en ik een nieuwe post in Pendolo had gesticht, toen we dachten, dat we nu eens rustig in een kleinere kring zouden kunnen gaan werken, moest broeder Hofman om ziekte weg en er zat niets anders op, dan dat ik die werkkring met zijn pas gevormde gemeenten waarnam. Deze arbeid eiste veel zorg, zodat ik in die twee jaar meer op reis dan thuis was.
Er kwam niets van je hoop, dat ik meer bij je thuis zou kunnen blijven. En nooit is er een woord over je lippen gekomen om mij ook maar op enige wijze van mijn plicht terug te houden. Ik kan je niet zeggen, hoe dankbaar ik je daarvoor ben. Werkelijk, we hebben de moeiten van die jaren samen gedragen, wij hebben die reizen samen gemaakt: ik handelend en jij biddend meelevend. Ik geloof niet, dat mijn aandeel het zwaarste was.
Werd je teleurgesteld in je hoop, dat ik meer bij je zou kunnen zijn, je onderstelling, dat je met je lege tijd geen raad zou weten, kwam tot je grote vreugde ook niet uit. Want je kon heus iets voor de mensen doen. Veel meer dan vroeger kwam men om medicijnen en meer dan vroeger richtte je je schreden naar het dorp om zieken te bezoeken. Ja, doordat ik zo veel van huis was, kwam de hele ziekenpractijk langzamerhand op je schouders te rusten, en je werd de arts van Pendolo.
Er zijn al heel wat kinderen hier, die hun leven naast God aan jou te danken hebben. Wat was je gelukkig, als de moeders hun miezerige kindertjes aan je toevertrouwden, en als ze onder je handen zichtbaar bijkwamen. En daarmee had je de moeder niet alleen gelukkig gemaakt, maar haar hart was meer geopend om het Evangelie te ontvangen."
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 3 september 1954
Daniel | 8 Pagina's