Verkiezing en verwerping
(5)
Welk een wonder, een aanbiddelijk wonder is de daad van Gods verkiezende liefde! Hij heeft in mensen een welbe-* hagen; een welbehagen, dat vast ligt in het besluit der verkiezing. En dit wonder wordt nog groter, als we bedenken icelke mensen dit geldt. Het betreft mensen, die allereerst zondaren zijn. God heeft zondaren uitverkoren.
Wij zijn aan de benaming „zondaar" zo gewoon geworden. We zeggen het zo gemakkelijk, dat we allen zondaren zijn; maar als we eens even nadenken, hoe moet het ons aangrijpen, welk een vreselijk oordeel wij met die benaming over onszelf uitspreken! Wat is eigenlijk een „zondaar"?
Onze vaderen zeiden dat zo kernachtig door de omschrijving te bezigen: „een alles-verbeurd-hebhend zondaar." Want ja, zo is het metterdaad; een zondaar is een mens, die alles goedsverbeurd heeft; die niet waardig is, vanwege zijn zonden, iets goeds uit de hand des Heeren ' O te ontvangen. Verbeurd, d.w.z. het verbruid te hebben; het zich onwaardig ge-
maakt te hebben. En let nu eens goed op. Iemand, die alles verbeurd heeft, die heeft dus ook verbeurd om uitverkoren te zijn; is zijn verkiezing niet waardig; die heelt niets aan te merken, als hij voor eeuwig moet
omkomen. Zo ziet ge dus, dat er aan de belijdenis een „zondaar" te zijn, heel wat vast zit. Wie in oprechtheid en waarheid voor de Heere belijdt: „Heere, ik ben een alles verbeurd hebbend zondaar", die zegt daarmede eigenlijk: „Ik ben niet waard uitverkoren te zijn, en ik heb niets op Uw heilig doen aan te merken; noch er tegen in te brengen, als U nimmermeer naar mij omziet, en mij geen enkele blik van genade waardig keurt."
Maar er is nog meer. God heeft niet slechts mensen uitverkoren, die zondaren zijn, maar Hij heeft mensen uitverkoren, die verloren zondaren zijn. De Zoon des mensen is gekomen om te zoeken en zalig te maken, wat verloren was. Luk. 19 : 10.
En hieraan dient ge ook al uw eerbiedige aandacht te schenken. Immers het wordt zo spoedig gedacht en uitgesproken, dat de mens verloren kan gaan. Doch zo is het niet. De mens gaat niet verloren. Er gaat niemand verloren. Neen, het is veel erger: Wij gaan niet verloren, maar wij zijn verloren. Wij zijn, in het Paradijs, in Adams lendenen begrepen zijnde, van God afgevallen en in een peilloos diepe afgrond gestort. Reddeloos verloren, als God zelf ons niet redt.
Verloren! Ge weet immers ook op natuurlijk gebied wel, wat „verloren" is? Verloren is iets, dat ge kwijtgeraakt zijt, en zelf niet terug en terecht kunt brengen, daar de terechtbrenging van een ander moet uitgaan. Een enkel voorbeeld kan dat duidelijk maken.
Als ge uw portefeuille bij een vriend van U, waar ge op bezoek geweest zijt, hebt laten liggen, en ge herinnert U, dat ge haar op de tafel hebt neergelegd, dan is er geen sprake van verloren zijn. Dan zegt ge niet: „Ik heb mijn portefeuille verloren", maar dan zegt ge: „Ik heb ze vergeten." Als ge daarentegen des morgens op reis zijt gegaan met spoor en tram en boot, of per voet of per fiets, en ge bemerkt dan des avonds bij uw thuiskomst, dat ge uw portefeuille mist, dan spreekt ge anders, dan zegt ge niet: „Ik heb ze vergeten"; maar wel terdege „Ik heb ze verloren."
Het verschil tussen vergeten en verliezen is heel begrijpelijk. Hebt ge uw portefeuille vergeten, dan kunt gij zelf haar weer ir. uw bezit terugbrengen, want ge behoeft slechts naar het huis van uw vriend te gaan en uw eigendom terug te
vragen. Daar hebt ge geen hulp en geen ander persoon bij nodig. Maar als ge uw portefeuille verloren hebt, is het juist andersom. Dan kunt gij zelf niets er aan doen om ze terug te krijgen, maar dan zijt ge geheel en al afhankelijk van een ander, n.1. van de vinder; hij kan u uw eigendom terugbrengen, maar hij kan het ook voor zichzelf houden. Wie iets verliest, is dus aangewezen op en afhankelijk van een helper hinten zich.
En als wij nu belijden, dat wij zelf verloren zijn, dan wil dat zeggen, dat wij alleen teruggebracht kunnen worden door de hulp van iemand anders, en niet door ons eigen toedoen. Dat we dus alleen gered kunnen worden, indien God de Almachtige ons de hand der redding van uit den Hoge toesteekt, en ons optrekt uit onze verlorenheid en ellende. Want Ilij weet waar wij liggen, en Hij bezit alleen het enige redmiddel.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 3 september 1954
Daniel | 8 Pagina's