Over woeker en rente
Op de vraag, of het moreel geoorloofd is rente te trekken van uitgeleend geld, wordt thans schier algemeen een bevestigend antwoord gegeven. Toch is dit niet altijd het geval geweest. In dit artikeltje willen wij eens nagaan, welk standpunt in de loop der tijden te dezen opzichte is ingenomen. Wij richten onze blik daartoe allereerst op de aanwijzingen, welke de Heilige Schrift dienaangaande bevat.
In Leviticus 25 : 36 en 37 verbiedt God de Israëliet zijn broeder geld te lenen tegen betaling van woeker. De bewering, dat hier alleen gedoeld wordt op de dusgenaamde woeker, is in strijd met de eigenlijke betekenis van het onderhavige hoofdstuk. In de nieuwe vertaling van het Nederlands bijbelgenootschap wordt, in plaats van het woord „woeker", de uitdrukking „rente" gebezigd. Hieruit blijkt dus al heel duidelijk, dat de Israëliet de uitgeleende geldsom zonder rentevergoeding weer in ontvangst moest nemen. Wij kunnen deze maatregel niet losmaken van de toen heersende economische omstandigheden, want in latere Bijbelse tijd blijkt men een andere opvatting te zijn toegedaan. Zo geeft psalm 15 als kenmerk van de vrome o.m. op, dat hij zijn geld niet uitleent tegen vergoeding van woeker. Zowel de statenvertaling als de nieuwe vertaling bezigt in de betreffende tekst het woord „woeker". Ook het boek der profetiën van Amos, welks inhoud ons na de lezing van het bekende boek: De boer van Tekoa", van de hand van ds H. Veldkamp, veel duidelijker wordt, doet zien, dat het vragen van buitensporige rente terdege aan de kaak gesteld wordt. Uit beide voorbeelden kunnen wij concluderen, dat het vragen van rente, hetzij in geld, hetzij in goed, min of meer normaal geworden is.
In cle wereld van het nieuwe testament was men al zo vooruitstrevend, dat men banken had. Deze ontleenden hun naam niet aan een (toon)bank, waarop geld geteld werd, doch aan een „tafel". Zij, die meer geld hadden, dan waarover zij behoefden te beschikken, deponeerden dit bij de bankiers, teneinde het na korter of langer tijd met rente weer op te vragen. In zijn boek: „De antieke wereld en het nieuwe testament" deelt prof. dr A. Sizoo ons mee, dat een rente van 12% per jaar destijds een algemeen verbreide rentevoet was. In onze dagen zou dit een zeer aantrekkelijk rentetype zijn. De van 384—322 vóór Christus levende Griekse philosoof Aristoteles was het er helemaal niet mee eens, dat de geldschieter een rentevergoeding mocht vragen. In zijn Politica heeft hij de opvatting, dat rentebetaling ethisch verantwoord zou zijn, ten sterkste veroordeeld, omdat het geld alleen de functie zou hebben het ruilverkeer te vergemakkelijken.
Meer dan 15 eeuwen later zou de Italiaanse theoloog en wijsgeer Thomas van Aquino (1225—1274) een soortgelijke mening aanhangen. Thomas heeft gezegd, dat het vragen van interest ongeoorloofd moet worden geacht, omdat de bijbel zulks zou verbieden. Het gebruik van geld betekent volgens hem tevens zijn verbruik. Deze opvatting heeft geleid tot het kerkelijk of canoniek rentever-bod, dat zich gedurende eeuwen heeft weten te handhaven. In bepaalde gevallen werd van dit verbod ontheffing verleend.
Niettegenstaande dit verbod won de gedachte veld, dat, indien de geldlener, met de geleende som voordeel had weten te behalen, de geldschieter bij terugbetaling een vergoeding mocht verlangen, waaraan voorzichtigheidshalve de naam „boete" werd gegeven. In ongeveer gelijke geest dachten ook Calvijn en tal van andere gereformeerde theologen. Zij hebben er evenwel nadrukkelijk op gewezen, dat de Schrift niet enkel verbiedt datgene, wat met woeker wordt aangeduid, doch terdege de eis stelt, dat de voortbrengende macht van het geld tot de kleinste afmetingen beperkt moest blijven.
Een Duitse koopman en publicist Silvio Gesell heeft in 1911 een voorstel gedaan om te komen tot afschaffing van de interest. Dit heeft niet kunnen verhinderen, dat in onze dagen de betaling van interest bijna algemeen wordt verdedigd, óf als beloning voor een voordeel, dat de geldschieter met zijn geld had kunnen verkrijgen, óf als vergoeding voor het feit, dat deze het uitgeleende geld niet op elk willekeurig moment kan opvorderen. Deze gedachte lijkt ons niet in strijd te zijn met de geest van de Heilige Schrift, hoewel wij er ons steeds van bewust moeten zijn, dat het vragen van een rentevergoeding een recht is en geenszins een plicht. Als de mensheid dat steeds voor ogen had gehouden, zou heel wat sociale ellende voorkomen zijn en, om bij ons land te blijven, de oprichting in 1906 van een vereniging, die zich o.m. de woekerbestrijding ten doel stelt, zou niet nodig geweest zijn.
Het vragen van rente moge dus ge-
rechtvaardigt! en in ons huidige maatschappelijk bestel ondenkbaar zijn zonder het rente-instituut, laten wij voortdurend bedenken, dat cr slechts een minieme afstand is tussen rente en woeker. De profeten hebben oudtijds getoornd tegen de volkszonde „woeker"; krachtige protesten hebben zij laten horen. God noemt het nemen van woeker dieverij, hetwelk in het achtste gebod v.erboden wordt. Tot ons allen daarentegen komt het gebod, dat wij het nut van onze naaste, waar mogelijk, moeten bevorderen.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 6 augustus 1954
Daniel | 8 Pagina's