Over „verkering”
RONDKIJK
Deze keer kom ik met een onderwerp ter tafel, dat het verkeren van onze jongens en meisjes raakt. Een teer onderwerp, waarvan ik mij bewust ben, dat het met voorzichtigheid dient gehanteerd te worden. Maar toch een onderwerp, waarover van tijd tot tijd wel eens iets in de kolommen van ons Jongelingsblad mag voorkomen, omdat er zoveel vraagstukken liggen, die eens aangesneden dienen te worden.
Wij leven helaas in een tijd van ontzettende ontkerstening, die zich ook op het gebied van het aangaan van huwelijken openbaart. Ook in onze gemeenten. Ik zeg voorop, met hetgeen ik wil aanvoeren geenszins te willen generaliseren, maar er zijn gevallen — en mij dunkt dat vele kerkeraden dit zullen beamen — dat men soms ook in onze kringen het wel eens erg ruim neemt, wie men als levenspartner kiest. Gevallen, die grote moeilijkheden met - /Ach brengen. Op enkele daarvan wil ik de vinger leggen.
Men heeft soms al lange tijd „verkering", zonder dat vader en moeder er van weet. Vei'kering met een meisje — 01 omgekeerd met een jongen —
van een andere kerk, erger nog, met iemand die buitenkerkelijk leeft. Die nooit in de kerk komt en van God en Zijn dienst niet weten wil. Ik spreek nu maar niet van omgang met een roomse, dat komt gelukkig weinig voor.
Bij intuïtie voelt men aan, dat een dergelijke omgang thuis bezwaren zal opleveren. Maar men waagt het er op. Men houdt de omgang zo lang mogelijk geheim, en komt het openbaar, dan wordt het voor de ouders die de gevolgen maar al te goed inzien, te moeilijker cm het te verbreken, öf, zij moeten al heel drastisch optreden. Allereerst wil ik er op wijzen, dat bij een jongen of meisje die zo iets doet, een verkeerde levenshouding is. De conscientie zal eerst nog wel spreken, maar wordt bij voortgang me'év en meer afgestompt. Het beginsel, in de opvoeding bijgebracht, om naar 's Heeren Woord en Wet ook in die weg te leven, wordt met voeten getreden. Hoe zal men, wanneer men later op deze wijze tot een huwelijk komt, naar het huwelijksformulier zegt, heilig voor Gods aangezicht kunnen leven ? Dat is onmogelijk. Of, men moet met verkeerde vroomheid bezet zijn, flat zo'n jongen of meisje toch wel bekeerd kan worden ? Er dient rekening mee gehouden te worden, dat als we zo doen, we verkeerd zijn begonnen, buiten de Heere om, waar Hij nooit Zijn goedkeuring over zal geven. Voorbeelden zijn er van te over, dat daai'van in het latere leven de last zal moeten worden gedragen.
Daar komt bij, wanneer het rechtgeaarde ouders zijn, wat een verdriet wordt hen er mee aangedaan. Ze worden er mee op het hart getrapt. We lezen van de godvruchtige Izi k en Rebekka, toen Ezau zich Hethitische vrouwen nam, dnfcdif hun een bitterheid des gecstes was. Hetzelfde doet, men dan ook zijn ouders aan.
Ds Kersten, schrijvend in zijn catechismus (Zondag 41) over gemengde huwelijken, waarschuwt er voor. Houdt L T w kinderen van gemengde huwelijken af, zo schrijft hij. Laat dit niet de drijfveer zijn om groot te worden in de wereld en zogenaamd een goed huwelijk te sluiten. Maar laat het onze zorg zijn — zo vervolgt hij - — dat onze kinderen in de wegen des Heeren wandelen. God bemoeit zich met ons huwelijk, het is Zijn ordinantie. Het geldt voor al onze jongens en meisjes in het algemeen, dat er een voorzichtige wandel moet zijn. Bezoekt de plaatsen der ijdeiheid niet. Daar woeden de strikken gespannen. Zegt niet, wat voor kwaad zit er in de voorstelling van de bioscoop. Die was toch zo leerzaam. Neen, kijkt liever verder in welk gezelschap ge komt. Gij komt van het een in het andere. Begeeft U niet op het hellend vlak van de plaats-er. der ijdelheid. Denkt eens wat er verder omgaat. Wanneer ge de weg van het huwelijk zoeki, buigt dan uw knieën en zegt: „Heere, al ben ik onbekeerd, geef dat ik in Uw wegen moge wandelen, opdat het mij straks niet berouwen zal."
Dit zijn enkele fragmenten uit een preek van Ds Kersten, die ik in dit verband aanhaal. Hij legt hier de vinger op een wondeplek, tot vermaning, toe lering en onderwijzing.
Een onzer predikanten heeft mij eens gezegd, daar zijn zoveel huwelijken ook in onze gemeenten, waarvan ge, als ge alles wist, van verbazing de handen zoudt ineen slaan En de oorzaak is meestal altijd 'e zoeken bij het begin.
Hoe is men bij elkaar gekomen? Weet de Heere er van af? Of was het een daad die ge lukraak deed, met de vermeende hoop, dat het wel goed zai uitkomen ? Ik meen, dat dit een vraag is, die we wel eens mogen voorleggen.
Tot een volgende keer.
RONiDKIJKER.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 25 juni 1954
Daniel | 8 Pagina's