Zwijgen in een boze tijd
Daarom zal de verstandige te dier tijd zwijgen; want het zal een boze tijd zijn. (Amos 5 : 13.)
Alles heeft een bestemde tijd; dat geldt ook het spreken en zwijgen, op zulk een tijd van zwijgen doelt de profeet Amos in deze tekst.
Het was een boze tijd waarin de gezant des Heeren leefde en profeteerde.
Jerobiam II regeerde toen over bet tienstammenrijk en Uzzia was koning over Juda. Het was een tijd van uitwendige bloei; zelfs het overjordaanse was weer op Syrië heroverd, want deze vijanden van Israël waren door Jerobiam volledig overwonnen, en geen gevaar was er meer te duchten: het was een tijd van vrede en welvaart, het scheen of de oude goede tijd van Salomo was teruggekeerd. Velen hadden een zomer-en een winterhuis, de tempel Werd druk bezocht vooral op de godsdienstige feesten veel vrijwillige offers werden gebracht, kortom het was voor het merendeel van hel volk geen boze tijd.
Toch predikte Amos dat het een vreselijke boze tijd was, tussen leer en leven gaapte een diepe kloof.
Men zong uit volle borst Davids psalmen, tegelijk werd gruwelijk onrecht bedreven. Rechters aan wien de Heere de uitoefening van het recht had toevertrouwd, lieten zich omkopen om de onschuldige te veroordelen, alzo werd het recht in alsem verkeerd en struikelde op de straat.
De rijken verdrukten de armen, op zedelijk gebied was het droevig gesteld, hun godsdienst was een aantasting en belediging van de levende God door de kalverendienst, alles eigenwillige godsdienst zonder God. Met heilige ijver had Amos Israëls zonden voor ogen gesteld, doch zijn getrouwe prediking: „Zoek de Heere en leef, maar zoekt Bethel niet", werd niet geloofd. Israëls volk was overgegeven aan het oordeel der verblinding en verharding, ze leefden zorgeloos, en goddeloos, verder waren ze gerust een valse rust waarover de profeet het wee uitroept. Daarom zal de Heere doorbreken in het huis Jozefs als een verterend vuur dat niet te blussen is.
Hoe vreselijk is het oordeel geweest, toen de aarde .schudde en beefde i» de grote aardbeving, krakend zijn de elpenbenen paleizen in puin gevallen en dat strafgericht is voltrokken in de wegvoering der tien stammen. Dwaalt niet, God laai zich niet bespotten, want zo wat de mens zaait dat zal hij ook waaien. Daarom zal de verstandige te dier tijd zwijgen, het zijn diegenen welke de Heere begiftigd heeft met een verlicht verstand, zij hebben de Heere verwacht in de weg Zijner gezichten buigend onder het oordeel belijden ze mei Jeremia: „Dit zal ik mij ter harte nemen, daarom zal ik hopen, het zijn de goedertierenheden des Heeren dat wij niet vernield zijn, dat Zijn barmhartigheden geen einde hebben" of gelijk David:
„Gij zijt volmaakt, Gij zijt rechtvaardig Heer, Uw oordeel rust op d' allerbeste wetten, Uw loon, Uw straf beantwoord door Uw eer, Gij eist van ons dat w' op Uw waarheid letten Dat wij altoos op hoge prijs Uw leer, En 't heilig recht van Uw getuig'nis zetten."
O, welk een godverlieerlijkend zwijgen door, voor em onder God in zulk een boze en droeve tijd. Ook wij beleven zulk een boze tijd in ons zinkend vaderland, eertijds bekend bij de rondom liggende volkeren om de godsvrucht, nu als een vloekende natie, alles is aangelegd op zingenot, sport en spel wordt door duizenden als een afgod vereerd, het onderscheid tussen het mannelijk en vrouwelijk geslacht wordt meer en meer uitgewist, zelfs in de zich Gereformeerd noemende kerkelijke vergaderingen worden dezelfde rechten die de man van Gods wege zijn geschonken, aan de vrouw toegekend. De bioscopen (duivelskijkkasten) waar men zelfs de zwarte bladzijde uit Davids levcu voor ogen schildert zijn dag aan dag gev uld met het op sensatie belust volk. Gods dag wordt ontheiligd door overheid en volk. Diefstal, moord en werkstaking zijn aan de orde van de dag, alleen rechten, geen plichten, weinig werken, veel geld verdienen, voor tucht en orde geen plaats meer.
Gods kerk ligt verdeeld als beenderen aan de mond van het graf, onverdraagzaamheid, bitterheid, twist en tweedracht zijn de droeve vruchten van het verlaten der oude paden.
Och dat ons hoofd water ware en ons oog een springbron van tranen om te bewenen de breukc der dochter mijns volks, want het is een boze lijd. Gods slaande hand terdege gevoeld, in de achterliggende nog vers in *t geheugen zijnde wereldoorlog en hongerellende, deden ons niet wederkeren tot de God van onze vaderen, integendeel Neêrlands zonden zijn roepende zonden geworden. De God dezer eeuw die de zinnen verblindt, behaalt op schier alle terreinen des levens zijn grote triumfen.
Het geldt ook Nêerlands volk „ en zij bekeerden zich niet" waartoe zoudt gij meer geslagen worden? gij zoudt des afvals des te meer maken. Veelbetekenend is dan ook het zwijgen van de verstandigen in zulk een boze tijd als de onverstandigen in hun vermeende wijsheid de boventoon gaan krijgen en in openlijke of bedekte vijandschap de verstandigen verdrukken, beschimpen en verdrijven. Wee zulk een land waar de verstandigen gaan zwijgen en het afgeschudde stof achterlaten hun tot een getuigenis. Dan wordt Gods kerk geroepen om de Heere te zwijgen, en Hem te verbeiden in de weg Zijner geriehten, dan betekent het zwijgen der verstandigen een straffend oordeel voor zulk een land, 01 dat zij niet wilden onderwezen en bestraft zijn, maar de bestraffers bitterlijk haten en vervolgden, gelijk de kanttekenaar opmerkt. Dan is het zulk een boze tijd dat van toepassing wordt, wat Christus in Matth. 7 : 6 heeft doen optekenen: Geef h heilige de honden niet en werpt geen paarlen voor de zwijnen, opdat zij niet te eniger tijd kome en dezelve niet hun voeten vertreden, en zich omkerende u verscheuren." Er is een wonderlijk volk op de wereld, in deze tekst verstandigen genoemd, van nature niet beter of waardiger, doeli door wederbarende genade aan de zijde Gods gebracht, een volk dat heeft leren zwijgen, en uit eerbied voor God en Zijn deugden hun eigen doemvonnis mocht ondertekenen en aanvaarden en in een weg van recht zijn verlost geworden door de sclie nking en toerekening van Christus' gerechtigheid.
Een volk, dat door genade mocht zwijgen en zelfs bij het verlies van dierbare panden gelijk Aaron, wijl de liefde Gods in hun harten uitgestort uitnemender en sterker is dan de natuurlijke liefde.
Dat volk zal zwijgen in een boze tijd, schrijvende Gode niets ongerijmds toe, want:
Des Heeren werken zijn zeer groot wie ooit daarin zijn gunst genoot, doorzoekt die ijv'rig en bestendig. Zijn doen is enkel majesteit, aanbiddelijke heerlijkheid cn Zijn gerechtigheid onendig.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 14 mei 1954
Daniel | 8 Pagina's