Verzetspoëzie
5 MEI — BEVRIJDINGSDAG.
Het is de bedoeling niet hier in herinnering te brengen de vreselijke tijd van de Duitse overheersing; te schrijven over het verzet tegen de tirannie; het voor en tegen op te wegen of de vijfde Mei wel of geen feestdag zal zijn, maar te wijzen op de verzetspoëzie, het merkwaardig verschijnsel in die bange tijd. Dichters van naam en zij, die zelden of nooit naar de pen grepen, hebben niet kunnen zwijgen over de verschrikkingen, die ze zagen gebeuren of aan den lijve ondervonden.
Zeer bekend is „Het Lied der Achttien Dooden", dat tijdens de bezetting als rijmprent verscheen. De dichter was Jan Campert, die gearresteerd werd wegens hulp aan Joodse landgenoten, en in het kamp Neuengamme in 1943 overleed.
Enkele coupletten volgen hier:
Een cel is maar twee meter lang
en maar twee meter breed,
wel kleiner nog is het stuk grond,
dat ik nu nog niet weet,
maar waar ik naamloos rusten zal,
mijn makkers bovendien,
wïj waren achttien in getal,
geen zal de avond zien.
Ik wist de taak, die ik begon
een taak van moeiten zwaar,
maar 't hart dat het niet laten kon
schuwt nimmer het gevaar;
het weet, hoe eenmaal in dit land
de vrijheid werd geëerd,
voordat een vloek'bre schennershand
het anders heeft begeerd.
Ik zie, hoe 't eerste morgenlicht
door 't hoge venster draalt —
mijn God, maak mij het sterven licht,
en zo ik heb gefaald,
gelijk een elk wel falen kan,
schenk mij dan Uw gena,
opdat ik heenga als een man
als 'k voor de lopen sta.
Nog een gedicht over het vertoeven in de cel, is „Celdroom" van H. M. van Randwijk;
Des daags scheen zonlicht in de cel.
Twee decimeter op den muur,
Dan stond te middag voor één tel
Een zin gekrast in laaiend vuur.
Wie had de woorden ingekerfd?
Merkteeken van ons diepst begeeren.
Een heeft ze met zijn bloed geverfd:
Gerechtigheid zal wederkeeren.
Een hand, die weinig had geschreven,
De letters kinderlijk en krom,
Hij schreef het beter met zijn leven,
Den laatsten maal voor 't peleton.
Jaap Sickenga schreef 5 Mei 1942:
Zij kunnen mij niet vangen,
al is mijn lichaam hier,
mijn geest volgt zijn verlangen,
mijn lichaam slechts is hier.
En zelfs als ze dat nemen,
wat nood is er dan nog?
Mijn geest zwerft vrijer henen
en vindt zijn woning toch.
Zes dagen later werd hij gefusileerd, op 23-jarige leeftijd.
Nes Tergast schreef het gedicht „Het Schot":
Over het naamloos duister in de kruinen
Verwaait de echo van een enkel schot.
Geblinddoekt in den schoot der winterduinen,
Moet er weer een op het vervloekt schavot
Gevallen zijn, een dier ontelbaar velen
Wier laatste snik voor God een wilde schreeuw
Verzweeg in plotseling verstijfde kelen,
Een wit gelaat zinkt peinzend in de sneeuw...
En ik, die aan het raam der kleine kamer
In de gebroken stilte stiller sta,
Voel klaar hoe, koel maar steeds onherbergzamer
Dit hart zich sluit voor mildheid en gena.
Ida M. Gerhardt tekende op gevoelige wijze hoe het de mensen in de steden verging in het gedicht „Carillon":
Ik zag de menschen in de straten,
hun armoe en hun grauw gezicht,
— toen streek er over de gelaten
een luisteren, een vleug van licht.
Want boven in de klokketoren
na 't donker-bronzen urenslaan
ving, over heel de stad te hooren,
de beiaardier te spelen aan.
Valerius! — een statig zingen
waarin de zware klok bewoog,
doorstrooid van lichter sprankelingen,
„Wij slaan het oog tot U omhoog."
En één tusschen de naamloos velen,
gedrongen aan de huizenkant
stond ik te luist'ren naar het spelen
dat zong van mijn geschonden land.
Dit sprakeloze samenkomen
en Hollands licht over de stad —
Nooit heb ik wat ons werd ontnomen
zoo bitter, bitter liefgehad.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 30 april 1954
Daniel | 8 Pagina's