JBGG cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van JBGG te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van JBGG.

Bekijk het origineel

Rondom Goede Vrijdag en Pasen Hoe ziet de dichter Boutens dit ?

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Rondom Goede Vrijdag en Pasen Hoe ziet de dichter Boutens dit ?

4 minuten leestijd

Vele mensen zien Goede Vrijdag en Pasen als weliswaar bizondere kalenderdagen, maar staan niet of nauwelijks stil bij de feiten die worden herdacht; ze weten vaag van een kruisiging' en van een wondere opstanding, maar die zaken worden opgevat als mythen en oude overleveringen, die wel „aardig" zijn beklemtoond te worden.

De godsdienstige mens weet maar al te goed de feiten te noemen; hij laat zijn plaats in de kerk op Goede Vrijdag niet leeg staan en op de Paasdag is hij ook weer present: het is dan in de kerk anders dan gewoonlijk; het is toch wel aandoenlijk om nog weer eens te horen van die verschrikkelijke dood van de Zone Gods, en hij weet: straks wordt het weer beter, want de gestorven Christus staat op uit de dood!

Gods volk is bevreesd deze dagen weer te moeten doorleven: zo vele malen was het sleur, dat ze zaten onder de verkondiging van dat grote Heil; er was geen weerklank der bergen, en ze waren bang zich met gestolen troost te verrijken; met surrogaat-bevinding zich op de been te houden.

Zij, die het evangelie lezen of horen verkondigen, hebben zeker een voorstelling van, wat eeuwen geleden, heeft plaats gehad. Schilders hebben het moeten afbeelden, om het anderen door te geven, hoe zij het gezien hebben in hun fantasie. Dichters hebben neergeschreven wat in hen kwam opdringen tot taal en klank. Het is de bedoeling in deze rubriek niet de klemtoon te leggen op de geestelijke inslag van Goede Vrijdag en Pasen, maar meer op de uitingen van dichterlijke naturen.

In zijn bundel „Zomerwolken", voor het eerst uitgegeven in het jaar 1922, schrijft de dichter P. C. Boutens „Rei van vrouwen in Jozefs hof", waaruit we enkele strofen lichten.

Eén der vrouwen is aan het woord:

Nog was de zon niet onder: Het kloppen van mijn hart Verbreidde 't lichte wonder Uit ademloze smart — Poen zijne jongren kwamen En naar mij neer van 't hout Zijn witte lichaam namen, Verreten roos met bloed bedauwd...

Let in het bizonder op de beeldspraak van de laatste regel!

Hun sterke handen breidden Zij onder heup en voet. De schare schoof ter zijde Voor d' armelijke stoet. Met de andren volgde ik mede — Ik hief mijn ogen op Binnen den groenen vrede Van Jozefs schaduwstillen hof.

De vrouwen zijn beschroomd geweest om te helpen, maar nu gaan ze Jozef en Nicodemus bijstaan:

Hij heeft mijn zwakke schromen Verkloekt tot daden sterk, Zijn dienares genomen Tot zijn verkoren werk: Der naaglen rouwe wonden Wieschen en zalfden wij; Wij betten en verbonden De scheur in zijn doorstoken zij.

Niet één dit sprak of weende. In t lichtelooze gras De groote doode leende Alsof weêr met ons was De zaligende weelde Van zijn aanwezigheid Die alle lijden heelde Eer zich het hart had uitgezeid

In „Afneming van het kruis" ziet de dichter, tegen het schijnsel van de ondergaande zon, enkele mensen het dode lichaam van het kruis nemen. Hij beschrijft dit aldus (in rijmloze verzen):

En buiten op de hemelheuvelen Beuren strakke gestalten, wijd geplooid In wijnmoerrood, verlucht olijvengroen, Turkooizenblauw en vlamdoorsijpeld paars, Neêr van de groote schaduw van zijn kruis 't Verbloede lichaam van den Zoon van God.

In ..Paasch-avond" lezen we:

Wij hebben Hem den langen dag' Gezocht en staêg gemist. Wij spraken menig die Hem zag, En niemand die Hem wist

Mijn ziel is ziek naar rust, maai' rekt Haar wake en kommernis In vrees dat zij haar voeten strekt En voelt hoe moe zij is

Merken we, hoe schoon dit is gezegd? Wanneer het lichaam vermoeid is en eigenlijk rust zou moeten hebben, dan wordt de vermoeidheid pas goed gevoeld, wanneer men gaat zitten. Als dat echter gebeurt, dan kan men niet meer verder. En het moet! Daarom vreest men de voeten te strekken, want dan is het met het zoeken (hier in dit geval) gedaan. Zo is hier de ziel voortdurend waakzaam geweest en bekommerd, maar die wake en kommernis worden opzettelijk gerekt, uit vrees te voelen hoe vermoeid men is, als men gaat rusten.

Het gedicht eindigt dan met:

Hart dat Hij zeker vinden zal, Wat doolt gij her en der? De schemering verdekt het dal, En Emmaüs is ver.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 16 april 1954

Daniel | 8 Pagina's

Rondom Goede Vrijdag en Pasen Hoe ziet de dichter Boutens dit ?

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 16 april 1954

Daniel | 8 Pagina's