MEDITATIE
..Jezus zeide tot hem: „Gij hebt het gezegd".(Mattli. 26 : 64.)
Toen iemand eens hoog opgaf van zijn gaven en activiteit werd de opmerking gemaakt: Dat moet ge zelf niet vertellen, dat moet ge een ander laten zeggen.
Terecht heeft koning Salomo in zijn Spreukenhoek (27 : 2) gezegd: Laat een vreemde u prijzen en niet uw mond; een onbekende, en niet uwe lippen".
Kajafas de Hogepriester heelt in het grote lijdensproces zonder het te willen, kostelijke woorden gesproken. De haat heeft hem dwaas en onredelijk gemaakt. In een rechtsproces mag de rechter wel een getuige een eed laten afleggen, maar nooit een beklaagde. Het blijkt gedurig in de lijdensgeschiedenis, dat Christus de grote Lijder, Zelf de leiding in handen heeft. Pilatus en Kajafas proberen gedurig Hem een zijweg te doen inslaan, maar Christus dwingt Zijn rechters huns ondanks, de hoofdweg te volgen.
Boven deze overdenking staat het gezegde van een beklaagde, die zijn rechter attent maakt op hetgeen hij zelf heeft gezegd.
Het moge in die tijd de gewoonte zijn geweest, dat de rechter de eedsformule uitsprak en dat de getuige zijn instemming betuigde door te zeggen: Gij hebt het gezegd. Maar omdat de Heere Jezus hier staat, niet als getuige maar als beklaagde, heeft dit woord wel een bijzondere betekenis. De Heere laat Kajafas, als vertegenwoordiger van het Joodse volk, die schijnbaar de waarheid wil laten zegevieren, met eedzwering betiügen, dat Jezus van Nazareth, de Zoon van God, de ware Messias is.
Het antwoord luidt: „Gij hebt het gezegd"; met andere woorden, zoals gij het zegt, Kajafas, zo is het, want Ik ben de Gezalfde Knecht des Vaders. Ik ben de eeuwige Zoon van God.
Kajafas vordert de Zoon des Mensen op een eed en een eed tot bevestiging is het einde van alle tegeuspreking. De voorzitter van de Joodse raad had van de Heere Jezus geen eed mogen vorderen. Doet hij het toch, dan is lvij verplicht deze beklaagde op Zijn woord te geloven. Dan moet het Sanhedrin in het stof neervallen voor Hem van Wien de dichter zong: „De Steen, die door de tempelbouwers, verachtelijk was een plaats ontzegd, is tot verbazing der beschouwers, van God ten hoofd des hoeks gelegd." Of, dan moet de Joodse raad Hem als een Godslasteraar en valse Messias veroordelen.
Omdat zij de Heere der heerlijkheid niet hebben gekend, hebben zij Hem in hun blinde woede naar het smadelijke kruis verwezen. De Heere geeft vaak met een kromme stok, een rechte klap. Zonder hel te willen, en zonder het te weten, heeft dezelfde Kajafas gezegd, dat het nut is, dat er een voor het volk sterve, opdat niet het gehele volk zou verloren gaan.
Zo laat de Heere de Hogepriester van Israël onder eedzwering tegen zijn wil, kostelijke woorden zeggen, die hem zeer waarschijnlijk eeuwig in de ziel zullen branden, dat deze gehate Nazarener straks zal blijken te zijn, de eeuwige natuurlijke Zoon van God en tevens de hoogste Profeet, de eeuwige Hogepriester, de eeuwige Koning. Neen, Kajafas heelt het niet gevraagd, maar hij heeft het gezegd.
In de lijdenshistorie moeten we vooral letten op de hoofdzaken.
Allereerst dat de Zone Gods onze natuur heeft aangenomen om als waarachtig mens de weg der gehoorzaamheid le bewandelen tol het bittere einde. Satan heeft telkens gepoogd om Hem van die v/eg af te lokken. Hij is echter gehoorzaam geworden tot de dood, ja de dood des krnises. Dan moeten we acht geven, dat èn Pilatus èn Kajafas getracht hebben om Hem van een of andere misdaad te beschuldigen.
Het Romeinse volk was een fijn gevoel voor recht ingeschapen en Pilatus, de vertegenwoordiger van dat volk heeft van jongsaf geleerd, de weegschaal
van hel recht te hanteren. Hoe gaarne hij «Ie Joden terwille zou zijn om die gehate Galileër te vonnissen, zijn rechtsgevoel komt er tegen op en herhaaldelijk moet hij getuigen: Ik vind in deze mens geen schuld.
Kajafas heeft vele valse getuigen opgeroepen, maar hun aanklachten smelten tegenover de zedelijke grootheid van de Middelaar weg, als sneeuw voor de zon. Neen, de Heere Jezus wil wel veroordeeld worden, doch niet als misdadiger. Hij is heilig, onnozel, onbesmet cn afgescheiden van de zondaren. Aan het ware Paaslam, dat straks geslacht wordt, mag niet enig gebrek zijn. Hij wil alleen veroordeeld worden om twee feiten, nml. dat Hij de Zoon van God is, en dat Hij de ware Messias is.
Christus dwingt Kajafas van alle zijpaden af tc gaan cn de hoofdweg te bewandelen. Het is of deze rechter zijn nietigheid en minderwaardigheid voelt tegenover deze Beklaagde. Vol bitterheid roept hij uit: „Ik bezweer U bij de levende God, dat Gij ons zegt of Gij zijt de Christus, de Zoon van God."
Nu is het critieke punt bereikt in hot grote lijdensdrama. Rustig en vol majesteit luidt het antwoord : „Gij hebt het gezegd".
In gehuichelde verontwaardiging scheurt de hogepriester zijn klederen, terwijl zijn hart jubelt, dat hij nu meent het doodvonnis, dat al lang gereed ligt, te kunnen uitspreken.
Vergeet het nooit, dat Christus is veroordeeld 0111 deze grote waarheid, dat Hij is de Zoon van God, de ware Messias. Hoewel Hij de Zoon was, heeft Hij gehoorzaamheid geleerd, uit hetgeen Hij heeft geleden. Die lijdelijke gehoorzaamheid heeft Hem bloed cn tranen gekost. Zo is Hij de verdienende oorzaak der zaligheid. Zo is Hij allen, die Hem gehoorzaam zijn een oorzaak der eeuwige zaligheid geworden. In Adam hebben wij de gehoorzaamheid aan God opgezegd. De gehoorzaamheid van Christus is alleen geldig voor God. Om Hem gehoorzaam te zijn, moet er aan ons een wonder plaats hebben. Jesaja, de Evangelist van het Oude Testament, die als een man des geloofs uit de heilsfeiten heeft geleefd, predikt ons in het onvergetelijk schone drie en vijftigste hoofdstuk van Zijn profetiën, het Evangelie des K ruises en doet vooraf de vraag: ie heeft onze prediking geloofd, en aan Wien is de arm des Heeren geopenbaard? "
De Heilige Geest moet als de grote Yv erkmeester van het geloof, de prediking des geloofs gebruiken 0111 de genade des geloofs in ons hart te werken. Dat werk des geloofs kan niet verborgen blijven, want met het hart gelooft men ter rechtvaardigheid, en met de mond belijdt men ter zaligheid. Terecht vraagt de dichter in Psalm 19: „Laat l mijn tong en mond, cn 's harten diepsten grond, toch welbehagelijk wezen."
In de delen van Ceserea-Filippi heeft Petrus op de vraag: „Maar wie zegt gij dat; lk ben, " geantwoord: „Gij zijt de Christus, de Zoon des levenden Gods".
Welk een onderscheid tussen de woorden Kajafas cn de woorden van Petrus. Rij de eerste van uit haat en miskenning, bij dc ander uil liefde en dc rechte kennis.
Dat Jezus de Zoon van God en de ware Messias is, heeft Kajafas terecht gezegd. Maar toen heeft hij Hem veroordeeld en verworpen. Dat betekent zijn rampzaligheid.
Dat Jezus de Zoon van God cn de ware Messias is, heeft Petrus terecht gezegd en beleden. Dat betekent zijn zaligheid, want, zo luidt het woord des Heeren. „Zalig zijt gij Simon bar Jona, want vlees en bloed heeft u dat niet geopenbaard, muur Mijn V ader, die in dc hemelen is."
Dit is het eeuwige leven, dat zij U kennen, de enige en waarachtige God, en Jezus Christus, die Gij gezonden hebt.
Is ons belijden slechts lippenwerk, of vrucht van het geloof des harten. Mocht het maar zijn, ik heb geloofd, daarom heb ik gesproken. Als de dood komt, en die komt vaak onverwachts, dan is het een voorrecht als \\e mogen zeggen als vrucht van de bediening des Geestes:
„Ik heb het geloof behouden".
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 2 april 1954
Daniel | 8 Pagina's