ZANG IN DE EERSTE CHRISTENGEMEENTEN
Van openbare kerkelijke samenkomsten was dus geen sprake. Men zocht de onderaardse begraafplaatsen op, de Kata Kumba (= bij de marmergroeven), beter bekend onder de naam catacomben. Geslachten na geslachten zijn hier gedoopt, hebben samen de evangeliën en de brief aan de Romeinen gelezen. Maar het scherpe contrast van hun uiterlijke ellende, hun innerlijke rijkdom, gaf hun een negatieve levenshouding. „Het Christendom mompelde beslist neen tegen alles, waartegen de Grieken en Romeinen hun gretig ja lieten horen." (H. W. v. Loon) Het zag af van de levensgenieting, van de lichaamscultuur, en ook van alle kunst. De soberheid van het christendom, zijn grootste sieraad, werd in zijn jeugd gekweekt.
Van oud-christelijke kunst is dan ook geen sprake. Muziekinstrumenten bleven dus achterwege. Ze behielden de geur van lichtzinnigheid en werden, daar ze ook in de synagogen onbekend waren, geschuwd. Mede tengevolge hiervan en door de gevaarvolle omstandigheden, kon de samenzang de eerste eeuwen geen grote vlucht nemen.
De lezer zal begrijpen, dat deze kerkhistorische uiteenzetting' nodig was voor het goed begrijpen van de kerkgang in die dagen.
Werd er dan niet gezongen? Zeer zeker. Stadhouder Plinius van Bythinië schreef aan Keizer Trajanus over de christenen (begin 2e eeuw): „dat zij gewoon waren op een vaste dag voor het aanbreken van de dageraad bijeen te komen, en in een wisselzang Christus als een God een lied toe te zingen.
Dat er gezongen werd, blijkt ook uit de hierboven genoemde tekst Kol. 3 : 16 en in 1 Kor. 14 : 26 lezen we: Wat is het dan, broeders? wanneer gij samenkomt, een iegelijk van u, heeft hij een psalm, heeft hij een leer, heeft hij een vreemde taal, heeft hij een openbaring, heeft hij een uitlegging; laat alle dingen geschieden tot stichting." De kanttekenaren schrijven bij dit woord psalm: ofte lofsanck, door ingeven des H. Geestes van hem gemaakt tot Godes eere, ende stichtinge der gemeente."
Van een eigen stijl was voorlopig geen sprake. We hebben gezien, dat oorspronkelijk de synagogale praktijk werd voortgezet. De melodieën van deze psalmen waren dus oorspronkelijk joodse, uit de tempel afkomstige en dat het volk hieraan de amens en halleluja's toevoegde, was ook van joodse afkomst.
Uit de aangehaalde teksten, zoals 1 Kor. 14 : 26 blijkt, dat de Heilige Geest ook zangers geïnspireerd heeft tot zingen. Deze gelukkige mensen in meer dan één opzicht improviseerden dus door de werking van de Geest geestelijke lofzangen en zongen deze in de gemeente. Paulus heeft het daar meer dan eens over. Nu kunnen we ons gemakkelijk voorstellen, dat, wanneer deze liederen tot de gemeente spraken, deze door gemeente werden overgenomen en men bleef ze zingen. Naar mijn overtuiging zullen dit vaak psalmen geweest zijn. Naast het psalmmodiëren van wet en psalmen kwam dus nu het primitieve kerkelijke lied. Zo behoefde het volk zich niet langer te laten vertegenwoordigen door zangers, zoals vroeger door David was ingesteld onder de oude bediening', maar het mocht nu zelf, hoofd voor hoofd, een psalm aanheffen, iets wat Calvijn later ook gedaan heeft in Geneve en waar hij zeer sterk op stond in tegenstelling tot de Koorzang bij Luther.
Daarnaast bestond nog de z.g. antifonaalzang, reeds door David ingesteld. Hierbij zongen twee koren, b.v. een mannen-en vrouwenkoor, beurtelings een of twee strofen en daarna gezamenlijk het refrein, eenstemmig. Het zal echter duidelijk zijn, dat deze vorm in de catacomben niet kon worden gebruikt.
Bovendien kwam de hymne = verheven lofzang onder Griekse invloed (hymnos is grieks.) De eerste voorbeelden hiervan zijn geweest de lofzangen van Maria, Zacharias en Simeon. Ongeveer 10 van die oud-griekse muziekstukken zijn nog bewaard gebleven tot heden. W T oorden als symbool, Christus, hymne, hyrie eleison enz. herinneren nog aan het grieks als kerktaal. Deze griekse invloed is van groot belang geweest, want een kenmerk hiervan was het syllabisch karakter, d.w.z. dat een lettergreep op een toon werd gezongen, iets wat wij nu nog doen in de calvinistische psalmzang.
Voor deze keer willen we het hierbij laten, anders zou ons artikel te lang worden. De aandachtige lezer zal bemerkt hebben, dat we het hele vraagstuk behandeld hebben in verband met de betreffende kerkgeschiedenis uit deze tijd. Voor een recht begrip leek ons dat beter. Noodzakelijke uitweidingen waren dan niet altijd te voorkomen. De lezer vergeve ons dat.
De volgende keer hopen we D.V. de geschiedenis van het kerkelijk lied door de eeuwen heen verder te ver-
volgen tot op de tijd van Calvijn. Dan sluit het meteen aan bij het vroeger door ons geschreven: „Het ontstaan van ons psalmboek."
Samenvattend kunnen we dus tot ± het jaar 300 zeggen, dat de kerken zongen:
1. psalmmelodieën uit de joodse tempelzang. 2. de door de Heilige Geest ingegeven liederen. 3. antifonaalzang = zang met 2 groepen. 4. hymnen, lofzangen b.v. v. Maria, Zacharias, Simeon enz. in de griekse taal. Jammer, dat de melodieën ons niet meer bekend zijn, want onze tegenwoordige wijzen hierop zijn van veel latere datum.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 19 maart 1954
Daniel | 8 Pagina's